Verslag van de vergadering van 10 maart 2026 (2025/2026 nr. 20)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 13.58 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
De heer Recourt i (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. Namens mijn fractie en de Fractie-Visseren-Hamakers zeg ik het volgende. Het is een groot goed als grootouders of andere betrokkenen een belangrijke rol spelen in het leven van een kind. Die rol wordt steeds belangrijker; dat hebben we ook kunnen lezen. Grootouders vullen steeds meer gaten op waar het gaat om kinderopvang voor school, enzovoort. Er kan een heel zinvolle band ontstaan. Het is vaak — dat zie ik ook in mijn eigen omgeving — van groot belang in het leven van grootouders, en soms ook van kinderen, dat die band ontstaat.
De rol die grootouders hebben, kan zo groot zijn dat er family life ontstaat, als bedoeld in het EVRM. In Nederland is dat vertaald in de open norm "nauwe persoonlijke betrekking". Dit verdient juridische bescherming en heeft dit overigens ook. Die juridische bescherming kan in een enkel geval de autonomie van ouders, als het gaat om wat er met hun kinderen gebeurt, doorbreken. Het is voor grootouders en kleinkind ontzettend verdrietig als die intensieve band tegen de wil van betrokkenen wordt verbroken. Daarvoor bestaat dus juridische bescherming in de huidige wet. Die is er niet alleen voor grootouders, maar ook voor al die anderen die in zo'n family life-verbinding staan tot hun kleinkinderen, buurmeisje, nichtje of whatsoever.
De wet die nu voorligt, verlaagt de drempel voor juridische grootouders om dit omgangsrecht via de rechter af te dwingen. De vraag die wij vandaag moeten beantwoorden, is of deze wet in de praktijk meer goed dan kwaad zal doen. Het belang van kinderen speelt een doorslaggevende rol in de afweging die mijn fractie en de Fractie-Visseren-Hamakers hebben gemaakt. De eerste vraag is eigenlijk waarom deze wet er is gekomen. Welk probleem wordt er opgelost? Ik kijk naar het WODC-onderzoek en zie dat dat daar eigenlijk niet helemaal helder over is. Het onderzoek zelf zegt: er is wel voldoende onderzoek met betrekking tot de grootouders, maar onderzoek ontbreekt als het gaat om de kleinkinderen, om de kinderen. Ze zeggen: het is evident van belang als de grootouders of andere relevante volwassenen naast de ouders dienen als een soort veiligheidsklep, bijvoorbeeld als er thuis veel ruzie is. Maar dat is verder niet onderzocht.
Het onderzoek waar ik het over heb, vormt wel de onderbouwing van de motie die in de Tweede Kamer is aangenomen. Het vormt ook de onderbouwing van de wet, zo blijkt als we de toelichting op de wet lezen. Dan gebeurt er dus iets vreemds. Uit dat WODC-onderzoek blijkt niet hoe groot het probleem is. Het onderkent dat er een probleem is, maar het is verder niet goed onderbouwd. Er blijkt dus niet of het stoppen van het contact slecht is voor kinderen. Er is dus geen heel helder beeld van wat het probleem is. Vervolgens wordt van dit niet heldere probleem een oplossing gezocht, maar ook die oplossing lezen we niet terug in het onderzoek dat ter onderbouwing ligt aan deze wet. Graag een uitleg van de staatssecretaris. Hoe is dit hele proces nou tot stand gekomen?
Om het nog iets erger te maken: het rapport impliceert … Nee, deze zin sla ik over, want die loopt voor geen meter.
(Hilariteit)
De heer Recourt (GroenLinks-PvdA):
Kortom, er is een probleem dat niet kan worden onderbouwd, een oplossing die niet steunt op onderzoek en de suggestie dat dit wel het geval is.
Dan nu de inhoud. Op dit moment kent het proces voor de rechter twee fasen: de ontvankelijkheid en de omgang. In de praktijk worden die overigens bijna altijd in één procedure meegenomen, zo heb ik mij laten vertellen. De wet gaat over fase 1. Daarin wordt de juridische drempel voor grootouders verlaagd. Dan kom ik bij mijn eerste inhoudelijk zwaarwegende bezwaar: het onderscheid tussen juridische grootouders en anderen met een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind lijkt niet goed onderbouwd. De drempelverlaging geldt alleen voor juridische grootouders. Op mijn schriftelijke vragen werd eigenlijk alleen gezegd: we vermoeden dat de aantallen significant verschillen, dus dat het vooral om juridische grootouders gaat en veel minder om bijvoorbeeld de buurvrouw of de tante. Maar dat lijkt me onvoldoende rechtvaardiging om gelijke gevallen ongelijk te behandelen. Daarom dus de vraag aan de staatssecretaris waarom dit geen discriminatie is. Het lijkt mij gezien het doel, het belang van het kind, ten onrechte en tegen alle maatschappelijke ontwikkelingen in om te bevorderen dat het traditionele gezin in een betere positie komt dan andere samenlevingsvormen. Ook het WODC-onderzoek waar ik het eerder over had, wijst op de onwenselijkheid van dit onderscheid. Waarom niet dat WODC-onderzoek gevolgd of daar beter naar geluisterd, vraag ik de staatssecretaris.
Dan mijn tweede inhoudelijk zwaarwegende bezwaar. De drempelverlaging heeft tot doel om alleen de juridische grootouders makkelijk ontvankelijk te laten zijn. Tegenbewijs door de ouders lijkt nog wel mogelijk. Mijn eerste vraag is technisch: welk tegenbewijs moeten ouders leveren om die ontvankelijkheid weer ongedaan te maken? Gaat het om het onaannemelijk maken dat grootouders een relevant stuk van de verzorging hebben verleend, het Engelse model? Of gaat het erom dat grootouders een band hebben, het Belgische model?
"Drempelverlaging" zegt het al; het maakt de drempel lager om te procederen. Ik zeg het hard, maar ik denk echt dat het zo is: het gaat altijd alleen over de rug van kinderen en bijna altijd ten koste van kinderen. Zij komen namelijk tussen twee vuren te zitten. Zij komen in een loyaliteitsconflict terecht en voelen het conflict tussen ouders en opa en oma. Dat kan nauwelijks … Een enkel keertje zou dat in het belang van het kind kunnen zijn, maar daar bestaat al een procedure voor. Op deze manier ben je echter extra ruimte aan het creëren voor zo'n strijd via de rechter. In de praktijk zal in de uitkomst niet veel veranderen omdat de onderliggende criteria voor omgang niet veranderen, als ik het goed lees. Mijn vraag aan de staatssecretaris is of dat klopt. Er is een amendement ingediend dat het belang van het kind zwaarder moet wegen, maar volgens mij is dat amendement toch vooral een weerslag van de realiteit. Het kwaad is dan al wel geschied; de loopgraven zijn namelijk dieper geworden, er is een oplossing gezocht via de rechter, een oplossing die de rechter negen van de tien keer helemaal niet kan leveren.
Dit gaat in tegen het overgrote deel van de inspanningen van de afgelopen decennia, die erop gericht zijn om dit soort conflicten juist te verminderen en alternatieven te zoeken. Deze wet gaat precies de andere kant op en maakt het juridisch-conflictmodel aantrekkelijker. Graag een toelichting van de staatssecretaris waarom hiervoor is gekozen, omdat ook hier weer het WODC-rapport iets heel anders zegt. Dat zegt: investeer in alternatieven zoals mediation, geef meer bekendheid aan het probleem, enzovoort. De vraag is: waarom is hier niet voor gekozen? Gaat de regering dit nog oppakken?
Als laatste argument nog het volgende. Je ziet rond intieme terreur en femicide dat eigenlijk alle juridische mogelijkheden worden aangegrepen om dat gevecht voort te zetten, om de eigen onredelijke positie aan alle kanten te pakken. Dan wordt een juridische procedure gebruikt in een vreselijk misdrijf, kan je bijna zeggen. Ook hier zie ik het gevaar dat die drempelverlaging, of die nou werkt of niet, weer ingezet gaat worden in nog een procedure. Sommige vrouwen krijgen al een eindeloze hoeveelheid procedures voor hun kiezen. Ten onrechte, moet ik erbij zeggen. Want als het terecht is, dan is het een ander verhaal.
Tot slot iets algemeens over de aard van een wet. Wetten vragen respect. Die moeten decennia mee. Die vragen draagvlak en stevige onderbouwing, en bij twijfel moet je het niet doen. Is dat hier in overweging genomen? Graag een antwoord van de staatssecretaris. Het gaat me dan niet om het onderwerp zelf. Groot leed kan het gevolg zijn van het niet mogen zien van je kleinkinderen: groot leed bij de grootouders en in gevallen ook leed bij de kleinkinderen. Dat vraagt om een gedegen en serieuze aanpak. Die kans lijkt hier gemist. Dan laat je grootouders en kleinkinderen juist in de kou staan.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Dittrich van D66. Hij spreekt mede namens OPNL.