Plenair Van Bijsterveld bij behandeling Wet drempelverlaging omgang grootouders



Verslag van de vergadering van 10 maart 2026 (2025/2026 nr. 20)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 14.33 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Van Bijsterveld i (JA21):

Voorzitter. Alvorens te beginnen meld ik voor de transparantie dat ik dit jaar 30 jaar werkzaam ben als advocaat en sinds 2003 ben verbonden aan de vFAS, de vereniging van familierechtspecialisten en scheidingsmediators. Ik heb geen persoonlijk belang bij het voorliggende wetsvoorstel, maar ik sta wel met mijn poten in de zogeheten klei en kan goed overzien wat dit wetsvoorstel in de praktijk en in de uitvoering betekent. De gevolgen van dit wetsvoorstel zijn naar de mening van mijn fractie, mede namens de Fractie-Walenkamp, minder wenselijk dan de theorie en de onderliggende stukken bij dit wetsvoorstel suggereren. Dit laat onverlet dat mijn fractie beseft dat er zaken zijn en zullen blijven die voor sommige grootouders en kleinkinderen te wensen overlaten. Dat zijn vaak persoonlijke drama's. We bespreken vandaag dan ook gevoelige kwesties. Dit wetsvoorstel gaat immers over mensen en hun persoonlijke verhaal en omstandigheden.

Dit wetsvoorstel komt voort uit een motie die in februari 2021 door de Tweede Kamer is aangenomen. Daarin werd de regering naar aanleiding van een WODC-onderzoek verzocht om de drempels voor grootouders te verlagen om omgang te kunnen verzoeken met hun kleinkinderen. De onderzoekers adviseerden de drempel te verlagen door in de rechtspraktijk een andere invulling te geven aan het begrip "nauwe persoonlijke betrekking" en de wens van het kind leidend te laten zijn. Laat ik vooropstellen dat mijn fractie na lezing van het WODC-rapport er niet van overtuigd is geraakt dat dit wetsvoorstel in de praktijk iets oplost. Wel volgt uit het rapport dat experts adviseren dat de positie van de kleinkinderen centraal moet staan, en niet die van de grootouders. Achter dit WODC-advies en de schijnbaar eenvoudige wijziging van artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek gaat een weerbarstige praktijk schuil. Theorie en praktijk staan naar de mening van mijn fractie op gespannen voet.

Voorzitter. In mijn bijdrage staat één uitgangspunt centraal: het belang van het kind moet altijd vooropstaan. Laat ik verder beginnen met enkele feiten, om een helder perspectief te schetsen. Uit onderzoek van stichting Villa Pinedo van september 2025 blijkt dat 86.000 kinderen per jaar te maken krijgen met een echtscheiding. Kinderen met gescheiden ouders zijn gemiddeld negatiever over hun kwaliteit van hun leven en over hoe het met hen gaat. Ook ervaren ze vaker stress en missen ze liefde, aandacht en steun, vooral van hun ouders. Langlopend onderzoek toont aan dat na een scheiding 20% van de kinderen hun vader niet meer ziet en 5% hun moeder. Daarnaast geeft 64% van de kinderen aan het gevoel te hebben dat zij niet altijd eerlijk konden zijn over hun gevoelens. Ook zegt 59% van de kinderen dat er tijdens de scheiding onvoldoende steun was. Niet alleen vanuit professionals, maar ook vanuit school of ouders werd er aandacht gemist. Onder veel kinderen heerst bovenal veel schaamte om hun verhaal te delen.

De Algemene Nederlandse Bond voor Ouderen constateert dat echtscheidingen in de praktijk vaak leiden tot het wegvallen van het vaste contact tussen grootouders en kleinkinderen. Naar schatting zien tienduizenden grootouders hun kleinkinderen niet meer; dit is een pijnlijke realiteit die ook het welzijn van het kleinkind raakt. De Kindertelefoon hoort in gesprekken dat kinderen niet alles vertellen: uit angst zich aan te stellen, uit angst voor de consequenties voor de ouders of het gezin, en uit angst om tot last te zijn, omdat zij eerder geen goede ervaringen hebben gehad. Daardoor kan het lijken alsof het beter gaat met het kind dan daadwerkelijk het geval is.

Uit artikel 3, lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind volgt dat bij te nemen beslissingen het belang van het kind de eerste overweging dient te vormen. In de rechtspraktijk betekent dit voor de rechter: maatwerk leveren. Ieder geval dient naar zijn eigen omstandigheden in samenhang te worden beoordeeld. De minister geeft aan dat het horen van een kind in dit wetsvoorstel in voldoende mate wordt gewaarborgd. Daar wil ik graag nog iets tegenoverstellen. Dit is de tekst van een kindbehartiger, te weten Maartje Willemse, op LinkedIn. Ik lees de hele tekst voor, omdat die in zijn context moet worden beschouwd. "Josefine is tien. Haar ouders zijn gescheiden. Ze ziet haar vader en haar moeder even vaak. Op papier ziet dat er goed uit. Co-ouderschap. Gelijk verdeeld. In balans, zou je denken. Maar het gaat niet goed met Josefine. Dat laat ze ook op school zien. Ze is vaak verdrietig, pest soms andere kinderen en heeft regelmatig woede-uitbarstingen. Voor hulpverlening is zichtbaar dat haar ouders niet goed met elkaar door één deur kunnen. Dat beeld is helder. De scheiding wordt gezien als complex. En Josefine zit daartussen.

Wat veel minder zichtbaar is, is wat er met Josefine gebeurt op het moment dat ze bij haar moeder is. Want daar mag haar vader niet bestaan. Ze mag hem niet bellen, niet appen en ook niet over hem praten. Als het moment van wisselen dichterbij komt, wordt ze bang en voelt ze paniek. En eigenlijk durft ze dat tegen niemand te zeggen. Ze wil niet dat mensen slecht over haar moeder denken, want verder is het bij haar moeder ook fijn. Haar vader probeert dit al lange tijd onder de aandacht te brengen. Hij benoemt wat hij ziet gebeuren met zijn dochter en wil graag dat zij hierover mag praten. Maar haar moeder ziet daar weinig in. Zij wil liever dat haar vader stopt met zijn moeilijke gedrag. En hoe meer aandacht vader vraagt voor zijn dochter, hoe meer de hulpverlening benadrukt dat het vooral de strijd is die hij steeds op lijkt te zoeken als veeleisende en lastige ouder. Ondertussen verstrijkt de tijd, terwijl Josefine steeds opnieuw ervaart dat ze, wanneer ze bij haar moeder is, haar vader zo moet missen.

Wat binnen hulpverlening vaak gebeurt, is dat bij complexe situaties de aandacht vooral uitgaat naar ouders en hun communicatie, en dat hulpverleners graag neutraal willen blijven. Dat is professioneel en lijkt een begrijpelijke route. Meervoudige partijdigheid heet dat en uiteindelijk moet dit helpend zijn voor de situatie, dus ook voor het kind. Maar soms kan een ouder een situatie eenzijdig frustreren. Dat moet zorgvuldig onderzocht worden om bijvoorbeeld intieme terreur of dwingende controle uit te sluiten, maar het kán wel. Als we blijven hangen in termen als "complexe scheiding" of "loyaliteitsconflict", komen kinderen niet altijd verder. Meervoudige partijdigheid is waardevol, maar kan een proces ook vertragen of zelfs lamleggen."

Nu komt het. "Kinderen helpen vraagt óók om gesprekken met kinderen zelf, niet één keer en niet alleen kort. Het vraagt om het opbouwen van vertrouwen, zodat een kind kan zeggen wat er echt speelt. Bovendien helpen Josefines woorden om te begrijpen wat er werkelijk gebeurt. De stem van een kind is krachtig, voor ouders én voor ons als hulpverleners. En voor een kind zelf maakt het een wereld van verschil om gezien en serieus genomen te worden. Niet belast, maar wel betrokken. Omdat hun ervaring ertoe doet." Einde citaat.

JA21 wil benadrukken dat lid 4 van dit wetsvoorstel, de beoordeling door de rechter van de bezwaren van een kind, niet gebaseerd kan worden op één gesprek van tien of twintig minuutjes met een rechter. Ook krijgen kinderen door de formulering van lid 4 een veel te zware positie in de beoordeling van dit vraagstuk. Mijn fractie is hier zeer kritisch op.

Verder maakt deze wetsaanpassing dat de toegang tot de rechter alleen voor biologische grootouders verruimd wordt. Echter, in de bestaande rechtspraktijk kan iedereen die in een nauwe persoonlijke betrekking tot een minderjarige staat, een procedure opstarten. In de praktijk zal een rechter deze procedure volledig behandelen. Die zal dus naast het beoordelen van de ontvankelijkheid, ook de zaak inhoudelijk behandelen en het kind wanneer zij of hij dat wil, horen. Het kind bepaalt of het wel of niet gehoord wordt. Het mag ook zeggen: nee, ik wil het niet. Om proceseconomische redenen zijn het geen aparte procedures. Mijn fractie begrijpt de nuance over omkering van de bewijslast, maar de toegang tot het recht is er al. Ik zou daarmee opnieuw de vraag willen stellen: welk probleem lost dit wetsvoorstel nou op?

De minister heeft in de schriftelijke beantwoording aan de Tweede Kamer aangegeven dat bij dit wetsvoorstel is afgewogen dat juridische procedures rondom kinderen alleen wenselijk zijn wanneer betrokkenen er niet op een andere, minder ingrijpende manier samen uit kunnen komen. Hoewel dit een afweging is waarvan ik meen dat wij die in deze Kamer allen ondersteunen, is deze opstelling juridisch niet houdbaar. Een procedure kan immers al worden gestart zonder dat in een voorgaande poging is geprobeerd om het geschil op andere wijze op te lossen. Feit is dat wanneer grootouders moeten procederen om hun kleinkinderen te zien, dit per definitie complexe zaken zijn en de kinderen al direct verkeren in een belangenstrijd. De betrokkenheid van de Raad voor de Kinderbescherming zal in de praktijk vaak ook geen oplossing bieden. Door zeer lange wachttijden en de beperkte capaciteit ontbreekt het vaak aan voldoende ruimte en tijd om met de betrokken kinderen een vertrouwensband op te bouwen, die nodig is om hun wensen zorgvuldig in kaart te brengen. Uiteindelijk zal de rechter op grond van de omstandigheden van het geval een zorgvuldig afgewogen beslissing dienen te nemen.

De omgang kan grootouders, ook wanneer zij ontvankelijk zijn, nog steeds worden ontzegd als het in strijd is met de zwaarwegende belangen van het kind. Het nieuwe lid 4 schept zelfs een aanscherping van het afwegingskader, waarbij het belang van het kind centraal staat en het kind ook zelf bezwaar kan maken. In de rechtspraktijk is ambtshalve geborgd dat rechters kinderen horen vanaf de leeftijd van 8 jaar. Mijn vraag aan de minister is dan ook: als dit wetsvoorstel wordt aangenomen, zou het dan niet logisch zijn dat in lid 4 de leeftijd van 12 jaar wordt verlaagd naar 8 jaar?

Dit wetsvoorstel maakt het door de aanscherping in het nieuwe lid 4 voor eenieder die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot een minderjarige moeilijker om tot omgang te komen. Dat is een vreemde constatering, aangezien dit wetsvoorstel een drempel lijkt weg te willen nemen, en hier juist een extra drempel wordt opgeworpen. Is de minister dit met mij eens? De verwachtingen die in de praktijk aan dit wetsvoorstel worden gesteld, moeten naar mening van mijn fractie, mede namens de Fractie-Walenkamp, getemperd worden vanwege het aangescherpte afwegingskader dat geldt voor alle personen die in een nauwe persoonlijke betrekking staan tot een minderjarig kind. Kan de minister hierop reflecteren in het licht van hetgeen met deze wet werd beoogd naar aanleiding van het onderzoek van het WODC? Er lijken immers vooral extra drempels te worden opgeworpen, waarbij het kind bovendien in een benarde positie kan worden gebracht. Deze wetswijziging zal de rechtszekerheid naar oordeel van mijn fractie zeker niet doen toenemen.

Voorzitter. Tot slot over de uitvoering van deze wet. Er is door de Raad voor Rechtsbijstand een schatting gemaakt van de toename van het aantal aanvragen voor een toevoeging. In deze ramingen lijkt echter onvoldoende rekening te zijn gehouden met grootouders die niet voor een toevoeging in aanmerking komen. De verwachte toename van het aantal rechtszaken lijkt dan ook te laag ingeschat. Is de minister — "staatssecretaris" moet ik zeggen — dat met mij eens?

Ook is er in de rechtspraktijk het probleem dat er te weinig familierechtadvocaten zijn die toevoegingen willen aannemen. Veel rechtbanken kunnen de huidige werkdruk in het familierecht al niet meer aan. De doorlooptijden zijn bij een aantal rechtbanken veel en veel te lang. Ook de Raad voor de Kinderbescherming heeft wachtlijsten, en het systeem van de jeugdhulp piept en kraakt. De simpele conclusie uit de memorie van toelichting dat dit wetsvoorstel geen gevolgen heeft voor de regeldruk en de uitvoerbaarheid in de huidige rechtspraktijk, is dan ook niet te volgen.

Voorzitter, ik rond af. Ik neem iets meer tijd; excuus daarvoor. Alles overziend en afgewogen is mijn fractie zeer kritisch op dit wetsvoorstel. Ook de beantwoording van de minister op de vraag van mijn fractie om in dit soort zaken ambtshalve een bijzonder curator toe te wijzen, was mager. Bij de rechtbank Rotterdam heeft een succesvolle pilot gelopen: de zogeheten Dordts-Rotterdamse benadering. Deze pilot, Benoeming bijzondere curatoren bij contactverlies, wordt omschreven in een artikel in het tijdschrift Relatierecht & Praktijk van december 2025. De uitkomsten van deze pilot zijn naar mening van de rechtbank Rotterdam zo waardevol dat zij besloten hebben deze pilot om te zetten naar een standaardwerkwijze. Deze aanpak verdient naar mening van JA21, mede namens Fractie-Walenkamp, landelijke navolging. Mijn fractie doet hierbij een dringende oproep aan de minister, ongeacht of deze wet nu wel of niet wordt aangenomen, om in samenspraak met de Raad voor de rechtspraak serieus te onderzoeken of in zaken waarin grootouders een procedure starten om tot omgang te komen met hun kleinkinderen, de werkwijze van de Dordts-Rotterdamse methode kan worden gehanteerd. Dit betekent dat bij aanvang van dit soort procedures de rechter ambtshalve een bijzonder curator aanstelt om het kind in die procedure bij te staan en de rechter te adviseren. Na het advies van de bijzonder curator vindt direct de inhoudelijke behandeling op de rechtbank plaats, zodat de doorlooptijd beperkt kan blijven. Op deze wijze wordt recht gedaan aan het horen van de betrokken kinderen en worden zij in bescherming genomen, om zo niet het middelpunt te zijn van de strijd tussen betrokken volwassenen. Deze methode doet recht aan het bereiken van oplossingen en het dejuridiseren van strijd. Immers, alle belanghebbenden worden door de bijzonder curator gehoord, waardoor de betrokken volwassenen zich gehoord en gezien voelen.

Voorzitter. Mede namens de Fractie-Walenkamp: mijn fractie kijkt uit naar de beantwoording en de vragen in het verdere debat.

De heer Nicolaï i (PvdD):

Ik ben zeer onder de indruk van het verhaal van mevrouw Van Bijsterveld, ook omdat zij zaken waarschijnlijk inderdaad veel meer meemaakt dan wij allemaal hier aanwezig. Mevrouw Van Bijsterveld zei dat het belang van het kind vooropstaat. Is zij het met mij eens dat als je naar het WODC-rapport kijkt, dit eigenlijk helemaal niet ingaat op de belangen van het kind, maar dat het gaat over de belangen en de positie van grootouders? Op bladzijde 61 van dat rapport lees ik: "Zoals reeds eerder opgemerkt is onvoldoende bekend over de positieve of negatieve gevolgen die het niet hebben van omgang met grootouders kan hebben. Nader onderzoek is daarom noodzakelijk om te kunnen vaststellen of (…)" enzovoort. Is zij het met mij eens dat eigenlijk dat onderzoek nog ontbreekt, dat eigenlijk als we uitgaan van het belang van het kind, door het WODC ook gekeken moet worden naar de positie van kinderen en de behoefte aan contact met die grootouders en de nadelen en de voordelen die daaraan verbonden kunnen zijn?

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

Dank voor de vraag, meneer Nicolaï. Er is best veel onderzoek gedaan. Daaruit blijkt dat het voor de identiteitsontwikkeling van een kind eigenlijk heel belangrijk is te weten uit welke familie het komt. Dat geldt ook voor de grootouders. Ik heb niet dit en dit wetenschappelijk artikel paraat, maar er is best al wel veel over bekend. We zien hoe de positie van het kind nu in het wetsvoorstel nog meer tot uitdrukking wordt gebracht. Mijn fractie is er alleen heel erg op tegen dat het kind nog meer in een benarde positie komt. Dat kan niet de bedoeling zijn, want dat is zeker niet in het belang van kinderen.

De heer Nicolaï (PvdD):

Dat kan ik eens zijn met mevrouw Van Bijsterveld, maar mijn vraag gaat over de grondslag voor het ontwerp zoals het er nu ligt. Je zou kunnen zeggen dat het WODC-rapport daar bruikbaar voor is, maar het WODC-rapport is waarschijnlijk niet bruikbaar voor zover het gaat om de vraag of grootouders of anderen een makkelijkere ingang moeten hebben. Maar er wordt ook iets anders geregeld — mevrouw Van Bijsterveld ging daar net ook op in — namelijk hoe het belang van het kind meegewogen moet worden. Dan hebben we toch informatie nodig over welke belangen er voor kleinkinderen op het spel staan. Daar moet onderzoek naar gedaan worden. Het artikel waar mevrouw Van Bijsterveld aan denkt, zal daar zeker in tevoorschijn komen, maar dat hebben we nu niet.

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

Dat ben ik met collega Nicolaï eens. Ik vind het WODC-rapport op dat punt te eng uitgelegd en vind dat er inderdaad te weinig oog voor is, omdat heel nadrukkelijk uit het verdrag blijkt dat het belang van het kind voorop moet staan in plaats van het belang van de grootouders. Dus de balans slaat in die zin, ook zoals het nu in deze aanpassing van de wet is voorgesteld, naar mijn mening te veel door.

De heer Dittrich i (D66):

Ik heb toch nog een vraag over het belang van het kind. Ik heb mevrouw Van Bijsterveld horen zeggen dat het kind ook kan besluiten om niet gehoord te worden. Daar heb ik een vraag over. Uit de rechtspraktijk blijkt vaak dat een kind dat bijvoorbeeld bij de vader of de moeder woont als het ware een beetje opgestookt of opgejut wordt en dan om te gehoorzamen aan de ouder die het opvoedt gaat zeggen niet gehoord te willen worden. Creëer je daarmee niet de situatie dat een kind dan niet meer gehoord wordt, terwijl er, als een rechter wel de tijd neemt voor zo'n kindgesprek, misschien een heel andere situatie en een ander verhaal uit naar voren komen, waardoor het kind beter tot zijn recht komt? Is dat dan niet in het belang van het kind?

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

Ik kan hier zo veel over zeggen, maar in de wet staat dat een rechter de mening van het kind moet vragen. Dat is wat er gebeurt. Dat is waar hier aan gerefereerd wordt. Een rechter gaat dat dus vragen middels een briefje dat aan het kind wordt gestuurd. Dat kind krijgt drie opties: met de rechter in gesprek gaan, een briefje schrijven of niks doen. Een kind is dus niet verplicht om te komen als het niet wil. Het is sowieso per definitie schadelijk als een ouder een kind dwingend brengt en een kind in die positie brengt; dat vind ik zelf. Een kind is niet verplicht er gevolg aan te geven als het gevraagd wordt gehoord te worden.

De heer Dittrich (D66):

Maar is het dan niet zo dat als het kind zegt "nee, ik wil niet komen" je er niet echt achter kan komen wat daarbij het verhaal is, terwijl er veel meer over de situatie naar voren kan komen als het kind wel met de rechter spreekt? Dat is dan toch weer in het belang van het kind, zou ik zeggen.

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

Dat ben ik vanuit de theorie met u eens, maar u moet ook beseffen dat rechters ook vaak briefjes van kinderen krijgen waar soms teksten in staan die kinderen bijna niet kunnen verzinnen. Ook die praktijk is er. Daarom zeg ik tegen de staatssecretaris: kijk nog eens goed naar die Dordts-Rotterdamse methode, omdat daarbij een bijzondere curator of kindbehartiger wordt aangesteld die veel meer tijd gaat nemen met dat kind, desnoods door even in het bos te wandelen, om dan gewoon vertrouwen te krijgen en dan in gesprek te komen over het echte verhaal, als het ware de schaamte voorbij. Ik zeg niet dat het nooit lukt en het zal ongetwijfeld weleens goed gaan, maar om te denken dat een rechter dat in tien, vijftien of twintig minuten voor elkaar krijgt … Dat zie ik in de praktijk toch eerder heel vaak misgaan.

De voorzitter:

Tot slot, de heer Dittrich.

De heer Dittrich (D66):

Tot slot, heel kort. We zijn het eens over de Rotterdamse methode. Ik denk dat het echt heel belangrijk is om juist uit het kind te halen wat het kind van belang vindt. Daar moet je soms veel meer tijd in een andere setting voor uittrekken. Rotterdam heeft dat laten zien, dus daar zijn wij het over eens.

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

Mooi.

De voorzitter:

Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Schalk van de SGP.