Verslag van de vergadering van 10 maart 2026 (2025/2026 nr. 20)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 14.53 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
De heer Schalk i (SGP):
Mevrouw de voorzitter. Hier staat een opa van veertien kleinkinderen. Ik moet er niet aan denken dat er ooit een moment zou komen waarop de omgang met een van mijn kleinkinderen onderdeel zou worden van een juridische strijd. Generaties horen normaal gesproken immers bij elkaar. In de Bijbel wordt regelmatig melding gemaakt van "je kinderen en kindskinderen". Dat is een prachtige uitdrukking, die duiding geeft aan de warme band die er zou moeten zijn door de generaties heen. Je vraagt je af hoe het mogelijk is dat onze samenleving zo verworden is dat de normale familieverhoudingen moeten worden vastgelegd in wetgeving, met als kern "het bewijsvermoeden van een nauwe persoonlijke betrekking". Daar zit in feite de pijn, aan alle kanten overigens. Deze hele wet is een poging om grootouders meer kansen te bieden voor omgang met hun kleinkind, waarover de juridische ouders zeggenschap hebben. Dat wijst in ieder geval op een spanningsvolle relatie tussen die ouders en grootouders, waarbij hun relatie op z'n minst schuurt en waarbij het kind in mijn visie de schuurpaal vormt. Over het belang van het kind gesproken!
Wat gebeurt er nu eigenlijk feitelijk met deze wet? Het ontvankelijkheidscriterium van de nauwe betrekking wordt geschrapt, maar in artikel 377 van het Burgerlijk Wetboek wordt een bewijsvermoeden van een nauwe persoonlijke betrekking opgenomen. Dat is vreemd, want normaal gesproken zeg je: wie stelt, moet bewijzen; dat zegt artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Hier wordt de bewijslast omgedraaid. Dit ondergraaft onze eigen juridische uitgangspunten omtrent de bewijsvoering. Daarom vraag ik de staatssecretaris of dit wetsvoorstel daarmee niet aan fundamentele rechtsbeginselen raakt. Waar het normale principe immers "bewijs dat maar" is, wordt het nieuwe principe "bewijs maar dat er geen bewijs is". Wat is de reactie van de staatssecretaris daarop?
Mevrouw de voorzitter. Volgens de fractie van de SGP komen door deze wet spanningen binnen families op scherp te staan. Grootouders willen zich toegang tot het kind verschaffen en het enige wat ouders kunnen doen is bewijs aanleveren van bijvoorbeeld de slechte omgang tussen grootouders en kinderen of bijvoorbeeld bewijzen dat er sprake is geweest van vormen van mishandeling of verkeerde gedragingen van grootouders. Dat zijn echter dingen waar zeer moeilijk bewijs voor te verzamelen is. Het kan zelfs uitlopen op de situatie dat een minderjarig kind voor de rechter tegenover de grootouders moet verklaren wat er is gebeurd als de omgang is gestopt. Dat vind ik dus iets anders dan het horen van een kind over de situatie. Dit is in feite getuigen. Is dat in het belang van het kind, zo vraag ik aan de staatssecretaris. Is het wenselijk dat ouders op deze manier worden gedwongen om in een juridische procedure de vuile was van de grootouders buiten te hangen?
De wet is bedoeld om grootouders in staat te stellen om omgang met hun kleinkind te hebben, terwijl dat nu niet kan of mag. Als die omgang er niet is, is het onlogisch om aan te nemen dat er wel een nauwe persoonlijke betrekking is. Die ontstaat immers door omgang. Het bewijsvermoeden lijkt dan ook ver van de praktijk af te staan. Kan de staatssecretaris duiden wat er nu eigenlijk bedoeld wordt of welke praktijk zij voor zich ziet als er geen nauwe omgang is, maar wel een nauwe persoonlijke betrekking?
De drempel dat er sprake moet zijn van een nauwe persoonlijke betrekking is mede bedoeld om de belangen van het kind en de ouders te beschermen, bijvoorbeeld tegen al te bemoeizuchtige grootouders. Met het huidige wetsvoorstel wordt echter voor alle grootouders vanzelfsprekend aangenomen dat er sprake is van een nauwe betrekking tot het kind. Het verzoek om een omgangsregeling kan alleen worden afgewezen indien zwaarwegende belangen van het kind zich tegen de omgangsregeling verzetten. Concreet betekent dit dat alle grootouders via de rechter kunnen afdwingen dat ze een omgangsregeling met hun kleinkind krijgen, ook als dit qua omstandigheden niet normaal, niet wenselijk of niet praktisch is. De vraag is: wordt met het verlagen van de drempel voor de omgang door grootouders wellicht juist de beschermende muur afgebroken die ouders rondom hun kinderen hebben?
Tot slot nog een paar vervolgvragen, breder dan de directe omgang tussen grootouder en kind vanuit de bloedband, zou ik zeggen. Als je een nauwe betrekking van belang acht, dan is het toch vreemd dat de bloedband van bijvoorbeeld broers en zussen niet wordt meegenomen in deze wetgeving, vraag ik aan de staatssecretaris.
In de praktijk zijn er ook niet-biologische grootouders die wel juridische grootouders zijn, bijvoorbeeld van geadopteerde kinderen. Potentieel zijn er daarmee al acht grootouders in beeld. Mijn fractie maakt zich dan ook zorgen over het meerouderschap, waarbij de hoeveelheid grootouders nog verder kan uitdijen, inclusief de spanningen die daar dan weer bij horen. Heeft deze wet al consequenties voor "meergrootouderschap"?
Het nieuwe kabinet wil stappen nemen rond het draagmoederschap. Kan dat ook nog consequenties hebben voor de positie van de ouders van de draagmoeder versus het kind dat wordt afgestaan?
Mevrouw de voorzitter. Resumerend is er sprake van een onmogelijke belangenafweging. Het aanhouden van de drempel is niet geheel wenselijk, maar het volledig wegnemen van die drempel is helemaal niet wenselijk. Dit wetsvoorstel zorgt voor een drempelverlaging, waarbij de kinderen de dupe kunnen worden van de verstoorde verhoudingen tussen ouders en grootouders. Dat kan niet de bedoeling zijn. Ik ben heel benieuwd naar de reactie van de staatssecretaris.
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Ik geef graag het woord aan mevrouw Van Toorenburg van het CDA.