Plenair Van Toorenburg bij behandeling Wet drempelverlaging omgang grootouders



Verslag van de vergadering van 10 maart 2026 (2025/2026 nr. 20)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 14.59 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Van Toorenburg i (CDA):

Dank u wel, voorzitter. Op het eerste gezicht lijkt dit debat vrij overzichtelijk: we bespreken de wenselijkheid of, zo u wilt, onwenselijkheid van de drempelverlaging voor grootouders om in rechte de omgang met hun kleinkinderen te kunnen verzoeken. Wij zijn daar, met respect voor hoe we daar verschillend over kunnen denken, wél een groot voorstander van en hebben daar meerdere redenen voor.

Zo hechten wij, ook nu, zeer aan toegang tot het recht. Dat is een fundamenteel rechtsbeginsel in een rechtsstaat. Wezenlijke belangen moeten kunnen worden afgewogen door een onafhankelijke rechter, iets wat wij in deze Kamer heel vaak uitspreken. Dat doen wij in dit geval ook.

Tevens wijzen we erop dat lidstaten volgens het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens de normale omgang tussen grootouders en kleinkinderen dienen te bewerkstelligen. Daar lijken we bij echtscheidingen waarbij kleinkinderen betrokken zijn in tekort te schieten. Dan leggen we de lat namelijk ineens iets hoger. Een normale relatie is dan ineens niet meer voldoende voor de toegang tot de rechter om een belangenafweging te kunnen laten maken, indien de omgang met kleinkinderen gewenst is. Het gaat om een drempel, de ontvankelijkheidstoets, die overigens niet bewust is gecreëerd, maar in de loop der tijd is ontstaan door een specifieke uitleg van het begrip "nauwe persoonlijke betrekking" in relatie tot de ouders. Die is ineens ontstaan. Daarmee lijkt het algemene uitgangspunt geworden te zijn dat grootouders dienen te bewijzen dat zij meer dan het gebruikelijke contact met hun kleinkinderen hebben gehad. Daarvoor moeten grootouders die om omgang verzoeken voldoende concrete omstandigheden kunnen aantonen. Alleen als dat lukt, kan de rechter beoordelen of een omgangsregeling in het belang van het kind is en zo ja, of een omgangsregeling moet worden vastgesteld en hoe deze eruit zou kunnen zien. Dat is absoluut maatwerk — terecht hebben veel sprekers dat vandaag al aangegeven — waarbij specifieke belangen in relatie tot elkaar moeten worden bezien en gewogen door een onafhankelijke rechter. Door in het algemeen uit te gaan van het bestaan van een nauwe persoonlijke betrekking tussen kind en grootouders, een vermoeden dat overigens wel weerlegbaar is, wordt de drempel om tot omgang te verzoeken verlaagd, want de normale grootouder-kleinkindrelatie wordt het uitgangspunt en volstaat in de toekomst voor de toegang tot de rechter.

Dat dient ook de rechtszekerheid. Gebleken is namelijk dat de toepassing van de ontvankelijkheid van grootouders momenteel per geval lijkt te verschillen. Dat is natuurlijk niet oké, zeker niet in zulke wezenlijke kwesties. Wij hebben daar in het verleden verschillende grootouders al over gesproken. Deze hele wetsbehandeling is natuurlijk niet iets wat gister is opgekomen. Deze heeft een geschiedenis van meer dan twaalf jaar. Wij hebben veel ouders en grootouders gesproken die dit aandroegen.

Het zijn in die zin drie belangrijke redenen. Geen wonder dus dat dit voorstel bij consultatie overwegend op bijval kon rekenen. De Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak is positief over het voorstel en stelde zelfs de vraag of het wetsvoorstel wel ver genoeg gaat. Ook de Kinderombudsman sprak steun uit, maar adviseerde wel het belang van het kind nadrukkelijk uitgangspunt te laten zijn bij de inhoudelijke beoordeling, door in de wet vast te leggen dat omgang alleen wordt toegestaan als dit in het belang van het kind is. Wij lezen het amendement heel duidelijk zo dat aan dat vereiste gehoor is gegeven. Dat is ook cruciaal. De rechter zal altijd die afweging moeten maken.

Laat mij dan een klein zijpaadje inslaan. Veel collega's hebben al aangegeven wat hun ervaring in de rechtspraktijk is. Zelf heb ik jarenlang bij de kinderrechtswinkel mogen werken, een geweldige instelling, waar kinderen erop worden voorbereid om door de rechter te worden gehoord. Het is natuurlijk nogal wat dat een kind een brief en een uitnodiging krijgt. Het Rotterdamse voorbeeld is interessant, maar er zijn veel meer voorbeelden waarin juist het kind heel goed wordt voorbereid op zo'n intensief gesprek bij de rechter.

Voorzitter, laten we wel zijn. Ten aanzien van de handhaafbaarheid en de uitvoerbaarheid, waar wij als Kamer naar moeten kijken, zijn geen wezenlijke zorgen geuit. Laat ook dat gezegd zijn. Maar natuurlijk zijn ook wij niet doof voor de kritische geluiden. Zo acht de Raad voor de rechtspraak het niet in het belang van een kind dat conflicten te zeer gejuridiseerd worden. Deze kritische noot heeft postgevat, zo blijkt uit de bijdragen van verschillende politieke partijen hier vandaag in huis. Dat is niet omdat ze grootouders niks vinden. Dat doen ze vanuit een intrinsieke betrokkenheid. Ook daar willen wij dus echt serieus naar luisteren. We gaan niet lichtzinnig aan deze kritiek voorbij, maar wij hechten zo aan de rol van grootouders in het leven van kleinkinderen dat wij toch een andere afweging maken.

We komen hiermee eigenlijk toe aan de werkelijke vraag die voorligt en die in dit debat de diepgang brengt. Daarom zei ik "het lijkt overzichtelijk", maar dat is misschien helemaal niet zo. Die vraag luidt: hoeveel waarde hecht je werkelijk aan de rol van grootouders? Het is niet zomaar hetzelfde als het buurmeisje of de buurvrouw. Daar denken wij als CDA fundamenteel anders over. Opa en oma bewaken de continuïteit in het leven van kinderen, aldus Else-Marie van den Eerenbeemt, familietherapeut, schrijver en onderzoeker over de kracht en kwetsbaarheid van familierelaties en het effect van scheiding op kinderen. Voor een kind van gescheiden ouders zijn opa's en oma's vaak levensreddend, zo schrijft zij. Het is bij een scheiding belangrijk dat de band met de grootouders in elk geval blijft bestaan. Zij laten zien dat niet alles verandert.

Er werd vandaag al even gevraagd naar de literatuur. In Nederland is er niet zo heel veel onderzoek naar gedaan, maar in België en in Amerika des te meer. Daar lees je van alles over het natural arrangement. Het gaat natuurlijk over die drie generaties familie, die in elkaar schuiven als een telescoop. Elke generatie bouwt voort op de vorige generatie. De oudere generatie deelt de jongeren mee wat werkelijk waardevol is gebleken. De familiale band verzekert het maatschappelijk noodzakelijke saamhorigheidsgevoel. Jongeren vinden bij hun grootouders een plaats waar ze kunnen praten met derden die toch eigen zijn. Hier kunnen ze in de familiegeborgenheid problemen bespreken die ze eigenlijk misschien niet met hun ouders kunnen bespreken. Grootouders hebben vaak meer tijd om te luisteren en de levenservaring om meer bij te dragen. En soms vormen ze de laatste reddingsboei wanneer de ouders tekortschieten. Ze kunnen een buffer of een vangnet zijn bij problemen over de opvoeding. Er schuilt een onvoorwaardelijkheid in en daar hechten wij zeer aan.

Wij geloven in die essentiële rol van grootouders in het leven van hun kinderen, juist wanneer het moeilijk is. Daarom weegt bij ons de toegang tot de rechter om de belangen in een individueel geval af te kunnen wegen zwaarder dan de nadelen van de juridische strijd met nog meer mensen die een rol willen spelen in het leven van een kind, de nadelen die ook wij onderkennen.

Voorzitter. U hoort ons vaak zeggen dat we als CDA de beste versie van onszelf willen zijn. Dat is toch echt die familie- en gezinspartij. Zie hier waarom wij dat zijn.

Dank u wel.

De heer Schalk i (SGP):

Ik ben het zeer met mevrouw Van Toorenburg eens natuurlijk voor wat betreft de positie van grootouders. Dat zeg ik ook als trotse opa. Ik heb haar betoog uiteraard goed geprobeerd te volgen. Ik begrijp dat de situaties waar zij vooral op doelde heel vaak bijvoorbeeld ook te maken hebben met een scheiding en dergelijke. Maar er kunnen natuurlijk ook hele andere situaties spelen bij de grootouders en dergelijke, waardoor ouders juist die beschermende muur hebben. Ik ben heel erg benieuwd hoe mevrouw Van Toorenburg kijkt naar de stelling die ik zelf heb geponeerd, namelijk: hoe groot het belang van de grootouders ook is, kleinkinderen kunnen uiteindelijk de schuurpaal vormen tussen ouders en grootouders.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Ik kan niet zo veel met het woord "schuurpaal", excuus. Ik denk alleen maar een aan krabpaal en woeste katten. Maar misschien is dat ook wel zo op het moment dat een gezin voor een rechter komt. Dan is het vaak al niet meer mooi. Als je de Bijbelse Anna neemt, de heilige grootouder die zo veel meer betekenis heeft gekregen dan welke rol dan ook in onze Bijbel — we spreken even Bijbels onder elkaar — dan denk je daar gewoon intrinsiek anders over. Grootouders hebben een dermate wezenlijke rol in het leven van een kind dat wij vinden dat de afweging om ze weg te houden alleen mag worden gemaakt door een onafhankelijke rechter na het afwegen van alle belangen. Dat is omdat wij die grootouder — en dan kijken wij elkaar aan — bijna een heilige rol willen geven. Die heeft die grootouder voor ons. Natuurlijk heb je de meest gruwelijke en slechte grootouders. Dat weet ik ook. Ik heb ook in een jeugdinrichting gewerkt, waarbij ik de grootste drama's heb gezien, waarbij grootouders echt misdadig waren. Dan kan die belangenafweging natuurlijk altijd anders uitvallen. Ik schrok een beetje van wat de heer Recourt zei. Dat zeg ik niet om onaardig te doen. Hij zei: grootouders of andere betrokkenen, denk aan het buurmeisje. Dan gaat er bij mij iets aan. Dat is gewoon zo omdat ik echt anders kijk naar de rol van grootouders, in de traditie, in het overgeven van waarden en in het laten zien dat niet alles verandert in het leven. En ja, andere mensen kunnen ook een hele grote rol spelen. En ja, ik vind dat ook die mensen zouden moeten kunnen aangeven dat zij die rol hebben en dat zij die kleine ontvankelijkheidsdrempel dan over moeten. Maar die drempel zou ik willen weghalen voor grootouders omdat ik vind dat die een andere rol hebben in het leven van kinderen.

De heer Schalk (SGP):

Prachtig om ook even die Bijbelse lijnen te zien.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Het verraste u even, hè?

De heer Schalk (SGP):

Helemaal niet. Mevrouw Van Toorenburg denkt dat dit mij verrast, maar dat is natuurlijk helemaal niet het geval. Ik zou hopen dat het veel vaker gebeurt. Maar terug naar het onderwerp. Daarom heb ik ook die prachtige Bijbelse term genoemd waar heel vaak op gewezen wordt, namelijk "je kinderen en je kindskinderen". Je ziet gewoon die generaties in elkaar schuiven, zoals mevrouw Van Toorenburg zojuist ook heel mooi verwoordde. Maar als ik haar betoog hoor, dan zie ik dat het belang van de grootouders heel groot wordt gemaakt. Helaas moeten we het zeggen: grootouders zijn geen heiligen. Ouders ook niet. Kinderen ook niet. Er gaan gewoon dingen mis. Ik heb het woord "schuurpaal" gebruikt omdat het mij erom gaat dat je, als je deze wet zou aannemen, kinderen in een positie brengt waarin ze misschien wel tegen die voor hen heilige grootouder moeten getuigen. Het is namelijk niet meer alleen een kwestie van horen, zoals de heer Dittrich zei, want als je goed in de wet gaat kijken, zie je dat ze soms ook moeten getuigen.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Maar in die zin verandert er ook niet zo extreem veel met deze wet. Zodra die ontvankelijkheid is aangenomen, wordt de inhoudelijke beoordeling ook nu al gedaan. Alleen weten wij dat bij de verschillende gerechten die ontvankelijkheid anders wordt benaderd. Daar hebben wij heel veel ervaringen gepresenteerd gekregen indertijd. Dat is een reden geweest waarom wij er zo op gehamerd hebben. Wij vinden het belangrijk dat die ontvankelijkheid sneller wordt aangenomen, waardoor de rechter eerder die belangenafweging kan maken.

De voorzitter:

Tot slot de heer Schalk.

De heer Schalk (SGP):

Ja, tot slot. Dan duiken we eigenlijk een andere discussie in. Als mevrouw Van Toorenburg zegt "er is niet zo veel veranderd", dan vraag ik het maar aan haar als ervaren juriste. De bewijsgrond die eerst ergens anders lag, wordt gewoon helemaal omgedraaid. Dat is toch nogal een verschil? In plaats van "bewijs maar dat", wordt er nu eigenlijk een omgekeerde bewijsvoering gevraagd. Dat is nogal wat! De positie van kinderen wordt nadrukkelijk veranderd. Ook de leeftijden van de kinderen worden meegenomen enzovoort. Er gebeurt dus juist heel veel in deze wet.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Heel huiselijk gezegd gebeurt eigenlijk het volgende. Nu laten we grootouders voor de rechter bevechten en aantonen dat ze een rol hebben gespeeld in het leven van hun kleinkinderen, terwijl wij als CDA zeggen: grootouders spelen per definitie een rol in het leven van kleinkinderen. Of die omgang er moet zijn, moet worden afgewogen door een onafhankelijke rechter in een belangenafweging, juist omdat de rol van die grootouders zo fundamenteel is. Daar kunnen we van mening over verschillen. Prima. We kunnen ook allemaal blijven zeggen, en ik denk dat we dat ook allemaal doen, dat ieder rechtsgeschil in het leven van een kind vreselijk is. Iedere echtscheiding is vreselijk. Daarom is mediation veel belangrijker en alle andere dingen die terecht ... Wij zouden nog wel iets meer willen horen van het kabinet over de plek die deze andere instrumenten straks krijgen, tegelijk met dit wetsvoorstel. Ik noem de verkennende gesprekken om tot een oplossing te komen en die steunfiguren. Want uiteindelijk, laten we wel wezen, verwachten we daar natuurlijk veel meer van in het beschermde leven van een kind. Je wilt immers juist niet dat het allemaal ellende met zich brengt. Natuurlijk, de Rotterdamse methode: perfect. Kinderrechtswinkels meer ruimte geven: helemaal goed. Maar wij kijken gewoon anders naar de rol van grootouders en daarom willen wij ze niet een hobbeltje laten nemen; wij willen ze meteen als volwaardig in het leven van een kind beschouwen.

De heer Recourt i (GroenLinks-PvdA):

Ik sloeg inderdaad even aan op het voorbeeld dat mevrouw Van Toorenburg noemde waar het gaat om het onderscheid tussen juridisch grootouders en andere relevante mensen in het leven van een kind. Want aan de ene kant hoor ik mevrouw Van Toorenburg dingen zeggen waarvan ik denk: dat gun ik ieder kind. Ik doel op relevante volwassenen die een belangrijke rol spelen en dat die kinderen daar terechtkunnen als het even niet goed gaat thuis. Maar waarom is een niet-juridisch grootouder dan minder van belang? Waarom is de buurvrouw waar die kinderen naartoe gaan als het thuis weer hommeles is en de grootouders niet thuis geven, minder van belang? U zei "het bijna heilig verklaren van de grootouder", maar daar snap ik niks van.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Oké, dan hebben we een andere levensvisie. Wij geloven wel in die telescoopvisie van gezinnen en grootouders en ouders en kleinkinderen. En ja, natuurlijk spelen heel veel buren en misschien wel ooms en tantes een belangrijke rol in het leven van kinderen. Ik zie als burgemeester helaas met enige regelmaat dat heel andere mensen zich veel serieuzer om kinderen bekommeren dan de eigen ouders, die alleen maar met zichzelf, met drugs en met andere ellende bezig zijn. Natuurlijk is dat zo. Maar als je kijkt naar omgang, dan zeggen wij: gelet op de bijzondere rol van grootouders vinden wij het belangrijk dat die belangenafweging directer moet kunnen worden gemaakt door rechters, zodat grootouders niet door die hoepel hoeven te springen.

De heer Recourt (GroenLinks-PvdA):

Toch nog een poging. Ik vind het ook fantastisch als grootouders die rol hebben, net zo goed als het fantastisch is als anderen die rol hebben. Dat is niet vanuit de grootouder geredeneerd, maar vanuit het kind, dat graag een volwassene heeft die meer doet dan even op zondag op de koffie komen, maar die echt een fundamentele rol speelt. Wat maakt het dan ... Laat ik het anders zeggen. Waarom is het juridisch minder beschermingswaardig als dat de buurvrouw is of de niet-juridische grootouder, dan als het de juridische grootouder is?

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Daar zijn echt boeken over volgeschreven. Een van die boeken heb ik gelezen. Niet dat ik het met alles daarin eens was, want die auteurs gingen wel heel erg ver. Ze wijten namelijk de te losse manier waarop wij in deze samenleving met elkaar omgaan, waardoor we eigenlijk die hele waarden kwijt zijn, aan het feit dat wij de grootouders een minder grote rol geven. Ik vind dat soms een beetje ver gaan, maar ik snap het wel. Ik snap het wel wanneer wij de rol van grootouders dermate belangrijk vinden dat wij geloven dat het intrinsiek in het belang is van een kind om een goede relatie te hebben met de generatie waar dat kind van afstamt, tenzij dat niet in het belang van het kind is. En dat zou de rechter moeten kunnen afwegen.

De voorzitter:

De heer Recourt tot slot.

De heer Recourt (GroenLinks-PvdA):

Tot slot. Het gaat hier nu juist niet om de gevallen waarin het kind onproblematisch met z'n grootouders kan omgaan. Het gaat juist om de gevallen waarin dat wel problematisch is. Dan maakt het voor het kind niet uit wie die bijzondere positie heeft. Ik vraag me echt af of dat de maatschappijvisie is of echt denken vanuit het belang van het kind. Nogmaals, ik ken zelf een voorbeeld van een kind dat iedere keer wanneer er thuis klappen vielen, bleef slapen bij de buren, soms wekenlang. Lang leve die buren! Foei, grootouders, zou ik zeggen. Het onderscheid zit volgens mij niet in de maatschappijvisie. Als je het benadert van onderop, vanuit het kind zelf, gun je het kind vooral een relevante derde.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Zeker. We gunnen een kind iedereen die kan bijdragen aan een beschermde opvoeding. Maar wij denken dat die intrinsiek het beste kan worden geleverd langs de lijn van de grootouders. Dat is een andere visie.

De heer Nicolaï i (PvdD):

Ik heb twee punten die ik aan mevrouw Van Toorenburg wil voorleggen. Het eerste sluit een beetje aan bij wat de heer Recourt net naar voren bracht. Kijk naar het feitelijk belang van het kind; daar hoorde ik mevrouw Van Toorenburg ook de nadruk op leggen. We hebben niet te maken met maatschappelijke of normatieve opvattingen over de rol van de grootouders. Ik denk dat dit het pijnpunt is van de discussie die hier net aan voorafgegaan is. Ik kan mij het verhaal over de rol van de grootouders helemaal voorstellen — ik ben zelf ook grootouder — maar ik denk wel dat er iets anders speelt. Je bent niet de ouder, maar je hebt wel een bepaalde band. Door die afstand kan je heel andere gesprekken met je kleinkind hebben dan je met je eigen kinderen hebt gehad. Dat bedoelt mevrouw Van Toorenburg waarschijnlijk ook een beetje. Maar dat staat los van de vraag die naar voren wordt gebracht, namelijk of je dat onderscheid, dat nu bij wijze van spreken vanuit de maatschappijvisie wordt opgelegd, juridisch gezien mag maken.

Dan het tweede punt dat ik mevrouw Van Toorenburg wil voorhouden. Ik heb het net even nagezocht. Is zij zich ervan bewust dat in Nederland ongeveer een miljoen kinderen leven van wie de grootouder niet in Nederland woont? Dat is gewoon de feitelijke situatie.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Ja, dat is de feitelijke situatie. Die verandert niet als we grootouders een belangenafweging kunnen laten maken. Het zal niet in het belang van kinderen zijn om ze heen en weer te slepen. Ik zit de hele tijd te denken aan wat wij als CDA hebben bevochten — gelukkig had dat succes — namelijk dat kinderen niet per definitie naar gevangenissen en tbs-instellingen moeten om op bezoek te gaan bij vader, die net moeder had vermoord, omdat een ouder per definitie het recht heeft op omgang met het kind. Dat hebben wij jarenlang helemaal prima gevonden. Als gevangenisdirecteur weet ik hoeveel kinderen naar gevangenissen gesleept werden. Zij hadden angst, omdat de ouder de andere ouder had vermoord. Dan zeiden we: de omgang met ouders is heilig. Dat hebben we gelukkig veranderd. Waarom hebben we dat veranderd? Omdat we het belang van het kind centraal hebben gesteld. Het belang van het kind staat altijd centraal bij een omgangsregeling. Dat hebben we met elkaar kunnen bereiken. Het enige wat wij nu met deze wet willen bewerkstelligen — ik denk dat ik in herhaling blijf vallen, maar ik doe het nog één keer — is dat de belangenafweging ten aanzien van grootouders te allen tijde door een onafhankelijke rechter kan worden gemaakt.

De heer Nicolaï (PvdD):

Ik heb toch het idee dat mevrouw Van Toorenburg twee dingen door elkaar haalt die aan deze wet verbonden zijn. Ten eerste is dat de toegang tot de rechter. Ten tweede is dat de vraag in wat voor opzicht het belang van het kind een rol moet spelen; ik kom daar zelf ook nog op terug. De heer Recourt had het net over de toegang tot de rechter. Daarvan zei hij: waarom zou de toegang tot de rechter voor andere nabije personen minder makkelijk moeten zijn dan voor de grootouders? Dat blijft natuurlijk toch gewoon een soort discriminatie die niet helemaal te verklaren is. Dat is één.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Voorzitter, kan ik hem onderbreken? Anders snap ik de vraag niet meer.

De heer Nicolaï (PvdD):

Ik benoemde dat er een miljoen kinderen in Nederland wonen die geen grootouder in Nederland hebben. Ik denk dat we daar ook op moeten letten. Dat hoor ik in het hele verhaal niet terug.

De voorzitter:

Meneer Nicolaï, vraagt u mevrouw Van Toorenburg om een antwoord op de eerste vraag of de tweede vraag? Het is inderdaad even verwarrend.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Het zijn twee totaal verschillende vragen.

De voorzitter:

Op welke vraag wilt u dus een antwoord? Kunt u alleen even die vraag stellen?

De heer Nicolaï (PvdD):

De eerste vraag is als volgt. Kijk naar de toegang tot de rechter, de ontvankelijkheidsdrempel. Kan je dan wel volhouden dat grootouders daarbij meer recht hebben dan andere nabije persoon, waar de heer Recourt het over had? Dat is de eerste vraag.

De voorzitter:

De tweede vraag komt straks.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Ja, maar ik denk dat ik echt nu op 25 verschillende manieren heb uitgelegd dat wij ervan overtuigd zijn dat de rol die een grootouder in het leven speelt een andere rol is dan de waardevolle rollen die andere mensen kunnen spelen.

De voorzitter:

Met dat antwoord zullen we het moeten doen. Dan de tweede vraag, over het miljoen kinderen met grootouders in een buitenland.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Die kunnen nu ook naar de rechter en die zullen ook die ontvankelijkheidstoets op dit moment moeten doen. Dat verandert dus helemaal niets wezenlijks.

De heer Nicolaï (PvdD):

Mijn tweede vraag hield verband met het hele verhaal over de Bijbel en de dit en de dat. Dan denk ik: dat geldt misschien voor mensen die, zal ik maar zeggen, in het Nederland van een eeuw geleden leefden. Maar als je kijkt naar Nederland zoals het nu is, hebben we gewoon te maken met een bevolking waarvan een miljoen kinderen helemaal niet eens een grootouder in Nederland heeft. Dat kwam bij mij op toen ik het verhaal hoorde van mevrouw Van Toorenburg. Ik dacht: tja, is dat nog wel toegesneden op de werkelijkheid van vandaag de dag?

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Bij mij kwam louter op: misschien is dat wel een van de redenen waarom het zo moeilijk is om een goede waardenoverdracht te hebben.

Mevrouw Van Bijsterveld i (JA21):

Ik sla even aan op de opmerking van collega Van Toorenburg dat deze niet-ontvankelijkheid maar een heel kleine aanpassing is. Maar ik vraag dan toch aan mevrouw Van Toorenburg of zij zich ervan bewust is dat door het amendement in lid 4 voor iedereen die in een nauwe persoonlijke betrekking tot een kind staat, dus niet alleen de biologische grootouders, de drempel juist verhoogd wordt. Het gaat namelijk niet meer om "tenzij de zwaarwegende belangen van het kind zich ertegen verzetten", wat in lid 3 van dat artikel staat. Lid 4 zegt nu "tenzij het algemeen belang van het kind zich ertegen verzet." Dat is eigenlijk een drempelverhoging. Dus dit wetsvoorstel maakt dat voor biologische grootouders de ontvankelijkheid geregeld is, en dat er een inhoudelijke behandeling komt. Maar ten aanzien van de inhoudelijke beoordeling voor íéder die in een persoonlijke nauwe betrekking staat, geldt: als het belang van het kind zich ertegen verzet. Dat is echt een drempelverhoging. Dus het is niet alleen maar een kleine, simpele verandering. Kunt u daarop reflecteren?

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Ik denk dat mevrouw Van Bijsterveld die vraag terecht stelde, want zo heb ik de hele behandeling van het amendement niet gelezen. Zo is ook, voor zover ik het heb nagegaan, de behandeling van het amendement niet bedoeld. Ik vraag me dus af — juristen zijn nooit op één lijn te krijgen — of dat zo is. Ik durf het wel te betwijfelen of dat zo is, maar ik vind het terecht dat deze vraag door mevrouw Van Bijsterveld aan het kabinet is gesteld, gelet op het belang van deze wet. Ik ben ook zeer benieuwd naar de beantwoording. Maar ik heb natuurlijk ook wel de hele behandeling gelezen en geanalyseerd waarom dat onderscheid gemaakt is en waar het vandaan kwam. Ik heb ook de appreciatie van het kabinet daarover gelezen en daarna de discussie. Dus ik vraag me af of het werkelijk een drempelverhoging is. Maar nogmaals, laten we het kabinet dit laten motiveren.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan mevrouw Bezaan van de PVV. De heer Van Rooijen komt straks aan de beurt.