Plenair Van Gasteren bij behandeling Wet drempelverlaging omgang grootouders



Verslag van de vergadering van 10 maart 2026 (2025/2026 nr. 20)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 15.31 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Gasteren i (BBB):

Dank u wel, voorzitter. Mijn bijdrage vandaag is mede namens de Fractie-Van de Sanden.

Mevrouw de staatssecretaris, een speciaal welkom. Dit is uw eerste plenaire debat. Dat heet dan geen maidenspeech, maar misschien een maidendebat of een maidenbehandeling. Ik weet het niet precies. In ieder geval, u gaat 'm niet vergeten. Dat weet ik zeker.

Voorzitter. Een nadeel van de achtste spreker zijn, is dat eigenlijk alles al een beetje gezegd is. Maar ik ga toch een poging wagen. Ik wil de volgende punten aantippen: de inhoud van de wet, de doelmatigheid, de uitvoerbaarheid, de wetstechniek, de werkingssfeer en de noodzakelijkheid.

Platgeslagen, is het doel van het wetsvoorstel om de ontvankelijkheidsdrempel te verlagen voor grootouders in het kader van de omgang met hun kleinkinderen. Hoe wordt dat dan geregeld? Momenteel moeten grootouders op grond van artikel 377a, Boek 1, aantonen dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking met het kind voordat het verzoek überhaupt in behandeling wordt genomen. Onze fracties realiseren zich dat dat een hoge drempel is. Incidenteel contact volstaat dan namelijk niet. Er moet intensief contact zijn: langdurige zorg, samenwoning of regelmatig oppassen. Dat is best lastig om aan te tonen. Dit voorstel introduceert nu een wettelijk vermoeden, dus er wordt automatisch vermoed dat de grootouder in een nauwe persoonlijke betrekking staat. Daarmee komt een verzoek makkelijker tot een inhoudelijke behandeling. De rechter beoordeelt dan of de omgang in het belang van het kind is en kan dat ontzeggen bij zwaarwegende belangen.

Onze fracties erkennen dat de huidige wet in bepaalde gevallen erg streng kan uitwerken, en hebben begrip voor grootouders die, geconfronteerd met deze strenge regel, dit als oneerlijk ervaren. Ook het Europese Hof voor de Rechten van de Mens erkent dat het recht op familie- en privéleven ook het contact tussen grootouders en kleinkinderen kan omvatten, maar eist dan wel dat er een voldoende nauwe familiale band bestaat. Het Hof echter eist geen automatisch recht, maar gewoon een faire balans en beoordeling per geval. Het wetsvoorstel introduceert nu een vermoeden om de drempel te verlagen en gaat dus verder dan het Hof. De vraag aan de staatssecretaris is hoe zij dat ziet. Overigens wijzigt vervolgens de inhoudelijke toets niet, want die rechter blijft natuurlijk wel toetsen op het belang van het kind en kan nog steeds omgang weigeren.

Dat brengt me op de doelmatigheid. De heer Nicolaï gaf het ook al aan. De eerste Kinderombudsman, Marc Dullaert, heeft al gewezen op het negatieve gevolg van drempelverlaging voor grootouders, aangezien het aantal partijen dat aan het kind kan trekken dan zeker zal toenemen. Dat wordt ook door kinderen met ervaring zelf aangegeven. Via de rechter afgedwongen omgangsrecht van grootouders vergroot dus de kans dat dit leidt tot escalatie van spanningen binnen het gezin of tussen ex-partners. De vraag aan de staatssecretaris is of ze het met ons eens is — trouwens niet alleen met onze fracties, maar ook met de Raad voor de rechtspraak in zijn advies van 29 september 2022 — dat de voorgestelde norm juridisering zal aanmoedigen of in ieder geval niet zal tegengaan en dat het gevaar dus bestaat dat kinderen eerder in een conflict worden betrokken. Immers, door het vermoeden hoeven grootouders niet eerst die nauwe band te bewijzen en daardoor komen er dus vanzelf meer verzoeken tot inhoudelijke behandeling aan de orde. Ik geloof dat de heer Recourt dat ook al aangaf. Verder waarschuwt de Raad voor de rechtspraak ook expliciet voor meer trekken aan het kind — zo werd dat genoemd — juridisering van familieconflicten en extra spanningen.

Hiermee komen wij tot het belangrijkste bezwaar wat onze fracties betreft. Zoals de Raad voor de rechtspraak constateert, dient de nieuwe regeling het belang van de eisers, de grootouders, en niet dat van het kind. Grootouders zullen de weg naar de rechter uiteraard niet opzoeken als alles goed gaat. Het wetsvoorstel zet eigenlijk het belang van de grootouders voorop.

Voorzitter, de uitvoering of uitvoerbaarheid. Is bij een hoger aantal te verwachten rechtszaken de rechterlijke macht voldoende toegerust? De memorie van toelichting schat een toename van 600 zaken nu naar plus 300 in het eerste jaar, en dat bouwt dan een beetje af. Wij hebben een beetje problemen met de onderbouwing. We begrijpen niet helemaal hoe dit tot stand is gekomen. Kan de staatssecretaris aangeven op welke objectieve gronden deze inschatting berust en op basis van welke feiten en omstandigheden de regering denkt dat de handhaving realistisch is?

De tweede vraag die daarbij hoort, is: wat betekent het voor de uitvoerbaarheid van de rechterlijke macht als er straks geen 600 maar 900 of misschien wel 1.200 zaken zijn of als er sprake is van een piek? We nemen aan dat niet alles geleidelijk over het jaar loopt, dus er kan best sprake zijn van een piek. Betekent dat dat met de verwachte toename van 50% ook de doorlooptijd toeneemt met 50%? Met welke scenario's wordt er nu gewerkt en welke interventies liggen op de plank mocht dat zich voordoen?

Dat brengt mij op het punt van de wetstechniek en op wat ik de "omkering van de bewijslast" noem. Dat is al een aantal keren aan de orde geweest. Ouders moeten straks aantonen dat er geen band is. Als die er niet is, dan is die er niet, maar dan moet je dat wel aantonen. Het is best lastig om iets aan te tonen wat er niet is. Weliswaar betreft het een vermoeden van een nauwe betrekking, dat weerlegbaar is, maar ouders moeten wel beargumenteren — wij lezen dat als "bewijzen" — dat er geen nauwe band is. Dat is best lastig. Juridische puristen zullen wellicht zeggen: "Dat is geen pure omkering van de bewijslast. Het verschuift de drempel naar de inhoudelijke fase. Dat is alles." Het kwam vandaag al aan de orde: we hebben het eigenlijk over "omgangsrecht, tenzij". Er ligt een scheiding: waar ligt het afbreukrisico? Mijn vraag aan de staatssecretaris is hoe zij dit ziet.

Dan de werkingssfeer. Onze fractie vindt het merkwaardig dat de wet een uitzondering inhoudt voor één groep, namelijk grootouders, maar geen universele drempelverlaging voor bijvoorbeeld andere bloedverwanten, zoals broers en zussen. Toenmalig minister Ard van der Steur — wie kent hem niet? — signaleerde dit al in 2015, in antwoord op de initiatiefnota. Kan de staatssecretaris wellicht aangeven waarom we vasthouden aan deze, in onze ogen, inherente groepsdiscriminatie?

Dan de noodzakelijkheid van de wet. In de Tweede Kamer werd hier ook al op gewezen. De onderliggende argumentatie om de drempel te verlagen is dat veel — ik merk op: niet alle — grootouders tegenwoordig vaak voor hun kleinkinderen zorgen. Daarmee wordt de natuurrechtelijke redenering dat ouders de zorgplicht hebben, losgelaten. Het gaat dus niet echt om bloedverwantschap, maar om de sociale rol die grootouders vervullen. Maar dan ontbreekt eigenlijk de reden waarom je de oude regeling niet zou handhaven. De huidige wet biedt immers al een algemene rechtsingang voor alle personen die kunnen aantonen dat ze een nauwe persoonlijke betrekking hebben. Hoe ziet de staatssecretaris dit? Dat is mijn zesde vraag.

Voorzitter. Er zijn natuurlijk ook voordelen: een betere toegang tot rechten bij ongewild contactverlies, erkenning van de familieband en een mogelijk positief effect voor het kind, als de band echt bestaat. Maar onze fractie ziet duidelijk grotere nadelen dan voordelen: meer procedures, risico op kindbelasting, juridisering van conflicten, de werklast voor de rechter en nog een paar andere nadelen.

Voorzitter. Vandaag hebben we aan de staatssecretaris, aan de regering, een allerlaatste uitleg gevraagd over de knelpunten die onze fractie en andere fracties zien. Ik zeg het niet heel vaak — ik zeg het eigenlijk nooit — maar dit is wel de laatste kans. Gezien de uitgebreide en zorgvuldige behandeling in beide Kamers verwachten wij eigenlijk geen revolutionaire nieuwe inzichten. In dat geval zullen wij tegen het wetsvoorstel stemmen. Wij zien de gesignaleerde knelpunten namelijk als onoverkomelijk en zwaarwegend. De wet heet "Wet drempelverlaging omgang grootouders" en niet "Wet verbetering belang van het kind door drempelverlaging omgang grootouders".

Wij willen daarbij vooropstellen dat er onder de huidige wetgeving natuurlijk schrijnende gevallen zijn. Die kunnen zich altijd voordoen, aan beide kanten, maar het is niet onze taak als senaat om aan symboolwetgeving te doen, gebaseerd op goede intenties. Het is onze taak om de kwaliteit van wetgeving te borgen. Een onderdeel daarvan is het beschermen van kwetsbaren. In onze ogen dient het belang van het kind voorop te staan en niet het belang van de grootouders. Met andere woorden, bij twijfel niet inhalen, zodat het kind niet het kind van de rekening wordt.

Dank u wel.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Nicolaï van de Partij voor de Dieren.