Plenair Nicolaï bij behandeling Wet drempelverlaging omgang grootouders



Verslag van de vergadering van 10 maart 2026 (2025/2026 nr. 20)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 15.40 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Nicolaï i (PvdD):

Dank u wel, voorzitter. Eigenlijk is door alle fracties het belang van het kind naar voren gebracht, waarbij is gewezen is op artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, waarin staat dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen van maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteit of wetgevend lichaam, de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Dat wordt zo uitgelegd dat als het over kinderen gaat en over de omgang met kinderen, van wie dan ook, het belang van het kind altijd vooropgesteld moet worden. Dat heb ik ook veel teruggehoord. Ik kom hierop terug als we gaan analyseren wat nou precies de strekking en de inhoud van het amendement is.

De bepaling waar het over gaat, is artikel 377a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. In het eerste lid staat: "Het kind heeft het recht" — daar hebben we het — "op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat." "Het kind heeft het recht." Vervolgens gaat het in het tweede lid echter niet meer over het recht van het kind, maar over het recht van mensen die omgang met het kind willen hebben. Dat loopt heel merkwaardig door elkaar. In het WODC-rapport staat op bladzijde 7: "Daarnaast benadrukken experts de wens en het belang van de kinderen." Nu komt het: "Het uitgangspunt zou moeten zijn of het kind contact met de grootouder wil." Dus de wil van het kind, het belang van het kind zoals het kind dat zelf ziet, zou eigenlijk uitgangspunt moeten zijn. Als je dan kijkt naar het tweede lid van de bepaling waarover we hebben, 377a, dan blijkt het te gaan over een omgangsrecht waarom verzocht kan worden door ouders, door grootouders en door anderen. Maar waar is eigenlijk geregeld dat het kind, als het dat wil, kan verzoeken om omgang met een grootouder? Mijn vraag aan de staatssecretaris is dan ook: zou dat hier ook geen onderdeel van moeten zijn? Of gaat het alleen maar om het belang van de grootouders die op een gegeven moment omgang willen?

Mevrouw Van Bijsterveld i (JA21):

Ik wil toch collega Nicolaï erop wijzen dat als we het over kinderen hebben, we het over minderjarige kinderen tot 18 jaar hebben. Na 18 jaar mogen ze in principe immers alles zelf bepalen. Sommige kinderen zijn van een leeftijd dat ze helemaal niet kunnen overzien wat ze wel of niet willen of wat in hun belang is. Dat zou misschien leuk zijn voor kinderen die ... Nou ja, rechters zeggen: vanaf 8 jaar. Je zou kunnen zeggen: kinderen van 0 tot 8. Ik wil niet zeggen dat die het niet kunnen weten, maar ik wil uw betoog wel nuanceren. Uiteindelijk is het ook een grondrecht van kinderen, ouders en grootouders om family life met elkaar te hebben, ongeacht wie daar wel of niet om verzoekt. Een kind heeft ook een informele rechtsingang bij de rechtbank. In die zin kunnen kinderen ook zelf een verzoek indienen. Ik zou het leuk vinden als u even reflecteert op mijn betoog dat kinderen niet allemaal kunnen overzien wat in hun belang is.

De heer Nicolaï (PvdD):

Daar heeft mevrouw Van Bijsterveld ook groot gelijk in, maar dat laat onverlet dat in het wetsontwerp zoals dat nu voorligt en ook in de bestaande regeling al wordt uitgegaan van kinderen van 12 jaar of ouder, die echt wel wat tot uitdrukking kunnen brengen. We hebben het gehad over een leeftijdsgrens van 8 jaar. We hebben het er ook over gehad dat je kunt voorstellen dat een bijzondere curator of een vertrouwenspersoon voor de rechten van het kind opkomt. Waarom zou je geen rechtsingang kunnen voorstellen voor minderjarige kinderen, die dan vertegenwoordigd worden door een ander dan de ouder of de grootouder? Dat is een vraag die speelt vanuit de gedachte die in het WODC-rapport wordt uitgesproken. Eigenlijk hoort het belang van het kind, de wens van het kind, op een bepaalde manier leidend te zijn. Dat is mijn eerste opmerking.

Ik houd het kort, voorzitter, want ik heb al veel interrupties geplaatst waarin de kwestie al aan de orde kwam. De tweede kwestie is: hoe is het nou precies geregeld, hoe was het, hoe wordt het en is dat in overeenstemming met wat de Kinderombudsman heeft voorgesteld? Daar ging mijn discussie met de heer Dittrich over. Ik kom ook terug op wat mevrouw Van Bijsterveld zei, namelijk: als je het goed bekijkt, is het strenger. De oude regeling was — dat lees je in artikel 377a, lid 3 — dat het omgangsrecht wordt afgewezen als het in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind. Met het amendement van Diederik van Dijk van de SGP wordt de nieuwe regeling dat het kan worden afgewezen als het in strijd is met het belang van het kind. Dan is nog steeds het uitgangspunt, zeg ik tegen de heer Dittrich, dat het omgangsrecht er zou moeten zijn, tenzij het in strijd is met het belang van het kind. De Kinderombudsman stelde: "Het belang van het kind moet uitdrukkelijk het uitgangspunt zijn, niet het belang van de grootouders." Nu komt het: "Ik adviseer vast te leggen dat omgang alleen wordt toegewezen als dit in het belang van het kind is. Oftewel, omgang als dit in het belang is van het kind en niet 'omgang, tenzij' dit niet in het belang is van het kind." Dat is niet gevolgd in het amendement van Diederik van Dijk. Hij zegt wel dat het belang van het kind vooropstaat, maar als je het belang van het kind vooropstelt, zeg je dus: als het in het belang van het kind is, mag die omgang er zijn, tenzij … Nu is het: die omgang is er, tenzij het niet in het belang van het kind is. Dat is dus niet wat de Kinderombudsman heeft voorgesteld. Dat betekent dus dat de bewijslast in feite rust bij het kind of bij een vertegenwoordiger van het kind om aan te tonen: het is niet in mijn belang. Dat hoort precies andersom te zijn. Dat is de vraag die eigenlijk is blijven liggen.

Ik wil afsluiten met drie vragen die ik aan de staatssecretaris zou willen stellen, waarbij ik citeer wat er in de stukken naar voren is gebracht. Het gaat om twee standpunten van de Kinderombudsman die in het advies zijn vervat. Het eerste is: "Het belang van het kind moet uitdrukkelijk het uitgangspunt zijn, niet het belang van de grootouders." Het tweede standpunt is: "Ik adviseer vast te leggen dat omgang alleen wordt toegewezen als dit in het belang van het kind is. Oftewel, omgang als dit in het belang is van het kind en niet 'omgang, tenzij' dit niet in het belang is van het kind." Mijn vraag aan de staatssecretaris is of zij het daarmee eens is.

Dan kom ik bij mijn tweede vraag. Het WODC-rapport is niet gegrond op onderzoek naar positieve of negatieve gevolgen die het niet hebben van omgang kan hebben in situaties waarin geen sprake is van opvoedproblemen. Dat is niet onderzocht. Dat blijkt ook uit het gestelde op bladzijde 61 van het rapport, waarin met betrekking tot dat punt wordt opgemerkt: "Nader onderzoek is daarom noodzakelijk." Als ik het me goed herinner, ben ik daar in mijn interruptie op mevrouw Van Bijsterveld ook op teruggekomen. Er is nader onderzoek nodig naar wat in het belang is van de positie van het kind en niet naar wat in het belang is van de positie van de grootouders. "Nader onderzoek is daarom noodzakelijk", staat er in het rapport. Deelt de staatssecretaris die conclusie en, zo ja, is zij bereid om dat onderzoek alsnog te laten plaatsvinden en de resultaten daarvan met de Kamer te delen?

Tot slot mijn derde vraag. In het WODC-rapport staat verder: "Daarnaast benadrukken experts de wens en het belang van de kinderen. Het uitgangspunt zou moeten zijn of het kind contact met de grootouder wil. In procedures behoort het kind gehoord te worden. De belangen van het kind zouden bijvoorbeeld door een vertrouwenspersoon of bijzonder curator kunnen worden behartigd." Mijn vraag aan de staatssecretaris is: deelt u het uitgangspunt van die experts?

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer Van Rooijen van 50PLUS.