Plenair Van Rooijen bij behandeling Wet drempelverlaging omgang grootouders



Verslag van de vergadering van 10 maart 2026 (2025/2026 nr. 20)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 15.50 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Rooijen i (50PLUS):

Voorzitter, dank dat ik "in uitgesteld relais" mag spreken, zoals de Belgen, de Vlamingen, dat noemen. Ik ben grootvader van zeven kleinkinderen, waarvan er een aantal al rond de 20 zijn en ook al vriendjes of vriendinnetjes hebben. Dat volgen wij allemaal heel nauw. Je kunt maar op één plek tegelijk zijn. Ik had een belangrijke discussie met de commissie Financiën over box 3, maar fijn dat ik iets later alsnog mag spreken.

Voorzitter. Als één partij zou moeten opkomen voor grootouders en de bescherming van hun rechten, zou dat wel 50PLUS zijn en moeten zijn. In een veranderende samenleving, waarin steeds meer ouders buitenshuis werkzaam zijn, is de rol van grootouders duidelijk toegenomen. Opa's en oma's nemen meer en meer een prominente plaats in in het dagelijkse leven van kleinkinderen, door op te passen, ze van school te halen of naar sportclubs te brengen, om zodoende de ouders, veelal en steeds meer werkend, te ontlasten. Grootouders die een dergelijke rol spelen in het dagelijkse leven van hun kleinkinderen en dit soort zorgtaken op zich hebben genomen, hebben, zo zou je toch kunnen stellen, een nauwe en warme band met hun kleinkinderen.

Voorzitter. Zo vraag ik de staatssecretaris: kun je dan ook niet concluderen dat het namens de ouders vervullen van deze zorgtaken vrijwel in alle gevallen ook in het belang van een minderjarig kind is? De in de stukken aangehaalde Afrikaanse quote "it takes a village to raise a child" dringt meer en meer door in de Nederlandse samenleving. Niet alleen ouders maar de hele gemeenschap speelt een belangrijke rol in de opvoeding van het kind. In dat licht lijkt het voorliggende wetsvoorstel om de drempel te verlagen voor grootouders om bij de rechter een verzoek in te dienen voor omgang met hun kleinkinderen een logische stap. Maar ik zeg niet voor niets: líjkt. Als mijn fractie het goed begrepen heeft, moet dit voorstel een huidig probleem oplossen dat bestaat uit het ontbreken van rechtseenheid in uitspraken van verschillende rechtbanken. De ene rechtbank legt een omgangsverzoek van grootouders anders uit dan een andere rechtbank, waardoor er een verschil ontstaat in de uitspraak over de ontvankelijkheid. Door een verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, kom je niet tot een inhoudelijke afweging of de omgang tussen grootouders en het kleinkind ook daadwerkelijk in het belang van het kind is.

Voorzitter. In de nota naar aanleiding van het tweede verslag lees ik dat de staatssecretaris bezig is met het ontwikkelen van een toetsingskader en een verbeterplan, zodat een ouder aan wie de omgang met een kind is ontzegd vanwege misbruik of huiselijk geweld, niet via de omweg van zijn eigen ouders, dus de grootouders, alsnog toegang krijgt tot het kind. Ik vraag de staatssecretaris waarom er niet een uniform toetsingskader wordt opgesteld, zodat iedere rechtbank uniforme uitspraken doet over de ontvankelijkheid van omgangsverzoeken, waarmee de rechtsgelijkheid is geborgd. Kan de staatssecretaris mijn fractie uitleggen of dit wetsvoorstel noodzakelijk zou zijn als iedere rechtbank dezelfde maatstaven zou hanteren bij de beoordeling of een omgangsverzoek ontvankelijk is of niet? Of wordt dit voorstel dan overbodig?

Dit wetsvoorstel heeft enkel betrekking op een grootouder in "afstammingsrechtelijke" zin. Wat een woord. Dat is een juridische ouder van een juridische ouder van een kind. Door wisselende gezinssamenstellingen kunnen er meerdere grootouders zijn die eveneens een nauwe persoonlijke betrekking hebben met het minderjarige kind. Maar die hebben een andere positie dan de juridische grootouders. Deze niet-juridische grootouders, die mogelijk een veel belangrijkere rol spelen in het leven van hun niet-juridische kleinkind, kunnen op grond van artikel 8 EVRM ook verzoeken tot een omgangsregeling. Maar voor die categorie en voor andere personen, halfbroers, broers, zussen, halfzussen, geldt wel het ontvankelijkheidscriterium. Zij dienen allen te bewijzen dat zij nauwe persoonlijke betrekkingen hebben met het kind voordat het verzoek tot omgang inhoudelijk getoetst kan worden. Terecht stelt de staatssecretaris dat zo'n beoordeling maatwerk blijft van de rechter. Het is hier eerder al genoemd. Dit maatwerk kan er echter toe leiden dat bij de ene rechtbank een verzoek tot omgang van een niet-juridische grootouder, broer, halfzus, et cetera anders beoordeeld wordt dan bij een andere rechtbank.

Voorzitter. En wat dan? Zo vraag ik de staatssecretaris. Behandelen we dan over pakweg twee, drie jaar een wetsvoorstel in deze Kamer waarmee de groep juridische grootouders wordt uitgebreid met stiefouders, stiefgrootouders en allerlei andere personen die zich beroepen op een nauwe persoonlijke betrekking met een minderjarig kind en die daarom omgang willen hebben?

Voorzitter. Dan heb ik nog een vraag over het belang van het kind. Dat moet altijd leidend zijn — daar is iedereen het wel over eens — ongeacht of omgang gewenst is of niet. De staatssecretaris stelt op pagina 4 van de nota naar aanleiding van het tweede verslag dat de rechter na weging van alle feiten en omstandigheden het recht op omgang tussen grootouders en het kind eenvoudiger dan nu het geval is, kan ontzeggen als omgang niet in het belang van het kind is. Kan de staatssecretaris dit toelichten? Dit wetsvoorstel geeft juist een verruiming van de omgangsregeling aan juridische grootouders. De drempel van de eerste toetsing, de nauwe band tussen grootouders en kind, valt immers weg. Moet mijn fractie uit dit antwoord concluderen dat rechters onder het geldende recht minder naar het belang van het kind kijken bij hun beslissingen? Waarom is het na invoering van dit wetsvoorstel voor de rechter eenvoudiger om omgang te ontzeggen? Kan de staatssecretaris mijn fractie dat uitleggen?

Voorzitter. Onder het huidige recht geldt al dat een rechter, wanneer wordt voldaan aan de ontvankelijkheidscriteria, bij de inhoudelijke beoordeling om tot een omgangsregeling te komen over voldoende ontzeggingsgronden beschikt — dat betreft artikel 377 — en bestaat er jurisprudentie om de omgang tussen verzoeker en het minderjarige kind te verbieden. Waarin brengt dit wetsvoorstel dan de vermeende vereenvoudiging?

Voorzitter, tot slot. 50PLUS worstelt met de vraag of het wenselijk en verantwoord is om op algemene wetsbepalingen uitzonderingen te maken voor specifieke groeperingen, in casu voor grootouders in afstammingsrechtelijke zin. In dit huis hebben we dat bijvoorbeeld gezien bij de grondwetswijziging van artikel 1, het discriminatieverbod. In de loop der tijd zijn daar specifieke groeperingen aan toegevoegd, en is het uitgangspunt "discriminatie, op welke grond dan ook, is verboden" vrijwel ondergesneeuwd. De leeftijd wordt bijvoorbeeld niet meer genoemd. Mijn fractie wacht het antwoord van de staatssecretaris met belangstelling af.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan mevrouw Vogels van de VVD.