Verslag van de vergadering van 10 maart 2026 (2025/2026 nr. 20)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 15.57 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
Mevrouw Vogels i (VVD):
Voorzitter. Vandaag spreken wij over een wetsvoorstel dat sympathiek oogt: het verlagen van de drempel voor grootouders om toegang te krijgen tot de rechter bij een verzoek om omgang met hun kleinkinderen. Wie kan er nou tegen zijn dat grootouders contact willen met hun kleinkinderen? Onder normale omstandigheden gun je ieder kleinkind een goede relatie met zijn grootouders, maar juist omdat het hier om kinderen gaat en omdat bij conflicten in het familierecht zelden sprake is van normale omstandigheden, moeten wij uiterst zorgvuldig zijn. Achter deze sympathieke intentie schuilt een wetswijziging die in de ogen van mijn fractie fundamentele vragen oproept over willekeur, doelmatigheid, juridisering en, bovenal, het belang van het kind.
Laat ik beginnen bij de kern van het wetsvoorstel. Het voorstel ziet niet op de inhoudelijke beoordeling van een omgangsverzoek, maar op de zogeheten voorvraag. Of er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking met een kind, bepaalt namelijk of een verzoek tot omgang in behandeling wordt genomen. Het maakt daarbij niet uit wie een dergelijk verzoek indient: grootouders, pleegouders, stiefouders, broers of zussen. Het gaat erom dat zij in een nauwe persoonlijke betrekking staan tot het kind. Met dit wetsvoorstel wordt die voorvraag voor juridische grootouders geschrapt. Dan wordt aangenomen dat er een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind is. Daardoor wordt de toegang tot de rechter vergemakkelijkt voor één specifieke groep: de juridische grootouders, bloedverwanten in de tweede graad. Dat roept direct een hele principiële vraag op: waarom die grootouders wel en andere voor het kind belangrijke personen niet; waarom geen broers, zussen, stiefouders, pleegouders, sociale grootouders of andere familieleden, die mogelijk aantoonbaar een veel grotere rol in het leven van het kind vervullen?
Met een algemene rechtsingang voor omgang met het kind is de huidige wet helder en consistent. Een verzoek kan worden gedaan door iedereen die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat. Voorliggend wetsvoorstel doorbreekt dat systeem en introduceert een onderscheid dat in de ogen van mijn fractie willekeurig is.
Voorzitter. We plegen in dit huis natuurlijk ook de doelmatigheid van wetsvoorstellen tegen het licht te houden. Dat brengt mij bij een vraag die mijn fractie, en ook andere, zo hoorde ik al, blijft stellen. Voor welk concreet probleem is voorliggend wetsvoorstel een oplossing? Er zijn geen cijfers over de omvang van de problematiek, zo vermelden de onderzoekers in een al eerder aangehaald rapport van het Verwey-Jonker Instituut, het WODC-rapport Omgang tussen grootouders en kleinkinderen. Wel vermeldt de initiatiefnota "Opgroeien met opa en oma" uit 2008 dat 12% van de grootouders geen contact heeft met de kleinkinderen. Verder liet de Kinderombudsman in reactie op het wetsvoorstel weten dat zij in de periode 2020-2022 een tiental meldingen ontving van grootouders die contact willen met hun kleinkinderen. Kinderen zelf hebben zich echter niet bij haar gemeld met een wens tot omgang met grootouders.
Nog even terug naar dat WODC-rapport, want de vorige staatssecretaris heeft daar bij de schriftelijke behandeling herhaaldelijk naar verwezen. Dat rapport is met name gebaseerd op literatuuronderzoek. Daarin is vooral gekeken naar de positieve effecten van omgang tussen grootouders en kleinkinderen. Volgens de onderzoekers gaat het in die literatuur vervolgens meer over de grootouders dan over de belangen van het kind. Verder zijn in dat rapport 28 rechtszaken onderzocht. In achttien daarvan werd door de rechter een nauwe persoonlijke betrekking aangenomen; in tien zaken dus niet. Mijn fractie vraagt zich af of dat niet een wat dunne basis is voor een wetswijziging.
Voorzitter. Dan de praktijk. Een gang naar de rechter in omgangszaken is per definitie een indicatie van een conflictueuze situatie. Zaken waarin grootouders via de rechter omgang met hun kleinkinderen proberen af te dwingen, zijn doorgaans complex. De familieverhoudingen zijn verstoord, loyaliteiten liggen gevoelig en het risico op escalatie is groot. De vraag die wij ons als samenleving dan moeten stellen, is niet of grootouders een begrijpelijke wens hebben, maar of wij het kind in deze situatie nog verder moeten blootstellen aan meer juridische procedures. Een procedure over omgang grijpt immers diep in op het gezinsleven en op het recht van ouders om hun kinderen op hun manier te verzorgen en op te voeden.
De Raad voor de rechtspraak heeft niet voor niets ernstige zorgen geuit. De raad wijst erop dat drempelverlaging vrijwel onmiddellijk leidt tot meer procedures en meer getouwtrek aan het kind. Het risico van verdere juridisering van familieconflicten wordt met dit wetsvoorstel niet weggenomen, maar juist vergroot. Tegelijkertijd zijn de inspanningen van de regering gericht op enerzijds het beperken van juridische conflicten en het vermijden van escalatie, juridisering en getouwtrek aan kinderen, en anderzijds het bevorderen van alternatieve vormen van geschiloplossing, zoals mediation en bemiddeling, waarvan programma's als "Scheiden zonder Schade" en "Een goed begin" getuigen. Hoe verhouden die inspanningen zich volgens de staatssecretaris tot voorliggend wetsvoorstel? Mijn fractie hoort bovendien graag hoe de staatssecretaris het wetsvoorstel beoordeelt in het licht van de uitkomsten van het wetenschappelijk onderzoek van TNO naar de ontwikkelde werkwijze voor complexe scheidingen van het programma Een goed begin.
Mijn fractie maakt zich bovendien ernstige zorgen over de gevolgen van het voorgestelde bewijsvermoeden in het wetsvoorstel. Het wetsvoorstel versterkt de bewijspositie van juridische grootouders juist ten koste van de andere procespartij, de ouder, en indirect het kind. Als het vermoeden geldt dat de nauwe persoonlijke betrekking bestaat, worden ouders in een conflictsituatie belast met het ontzenuwen van dat vermoeden. Hoe bewijs je iets wat er niet is? De Raad voor de rechtspraak waarschuwt dat dit soort zaken bewerkelijker wordt, met meer procespartijen, meer bewijslevering en langere behandeltijden. Dat staat haaks op het belang van het kind bij rust, duidelijkheid en zo min mogelijk juridische strijd.
Voorzitter, tot slot. Voor de VVD-fractie in de Eerste Kamer weegt zwaar dat kinderen en hun ouders niet moeten worden opgezadeld met meer procedures, meer conflicten en meer juridisch getouwtrek dan strik noodzakelijk. Het uitgangspunt dat een goede grootouder-kleinkindrelatie betekenisvol is, onderschrijven wij van harte. De verantwoordelijkheid daarvoor ligt in de eerste plaats bij ouders en grootouders zelf. En als het misgaat, moet het recht een vangnet bieden, niet een escalatieladder. De huidige wet is helder en consistent: met een algemene rechtsingang staat het belang van het kind voorop. Dit wetsvoorstel doorbreekt die balans, zonder dat is aangetoond dat het huidige systeem tekortschiet. De VVD ziet dan ook geen aanleiding de bestaande wetgeving te wijzigen. Wel zien wij de reflecties van de staatssecretaris met belangstelling tegemoet.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Hartog van de fractie van Volt.