Verslag van de vergadering van 10 maart 2026 (2025/2026 nr. 20)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 16.06 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
De heer Hartog i (Volt):
Dank u, voorzitter. Welkom aan de staatssecretaris. Het is terecht dat wij als maatschappij grote waarde hechten aan de omgang tussen grootouders en kleinkinderen. Ik wens eenieder de liefdevolle relatie toe die ikzelf heb gekend met mijn grootouders. Ik ben nog geen grootouder en heb aan mijn dochters aangegeven geen haast te hebben. De vraag die vandaag echter voorligt is of de voorliggende wijziging van het Burgerlijk Wetboek bijdraagt aan deze betere band of daar juist een verslechtering in aanbrengt.
Voorzitter. Ik heb geen puur juridische achtergrond en heb daarom ook met een wat afstandelijke blik naar de juridische kant van het voorstel gekeken. Na het lezen van de relevante stukken viel mij één ding in het bijzonder op: het artikel in het Burgerlijk Wetboek gaat over het recht van het kind op omgang met zijn ouders en met degenen die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Het merendeel van de schriftelijke uitwisseling lijkt echter te gaan over een omgekeerd recht, namelijk het recht van grootouders op omgang met het kleinkind. Ik denk dat ik hier ergens een tussenstap mis, maar de eerste set vragen van mijn fractie gaat over het recht van het kind op omgang. De voor de hand liggende vraag is dan hoe deze wetswijziging het gemakkelijker maakt voor een kind om omgang met zijn grootouders af te dwingen, waar deze grootouders die omgang afhouden. Welke stappen kan dat kind ondernemen? Kan dit alleen via de wettelijke vertegenwoordiger van het kind, normaal gezien de ouders? Hoe zit dat als de grootouders hun kleinkinderen, om het vriendelijk te zeggen, gedifferentieerd behandelen? Dat kan bijvoorbeeld zijn omdat ze hun favorieten hebben, of omdat de huidskleur of het geloof van de kleinkinderen de grootouders niet aanstaat. Heeft de staatssecretaris hierover nagedacht? Zijn haar daarover problemen bekend? Meer specifiek vraagt mijn fractie zich af hoe het recht van een kind op omgang met de grootouders zich verhoudt tot de nieuwe asielwetgeving, die familiehereniging moeilijker maakt. Is het mogelijk om zelfs de Nederlandse Staat burgerlijk aansprakelijk te stellen voor de inperking van het recht dat met dit wetsvoorstel wordt gecreëerd?
Voorzitter. Tot zover mijn uitstapje naar hoe ik gewoon letterlijk artikel 377a van het Burgerlijk Wetboek lees.
Het tweede thema dat mijn fractie aan de orde wil stellen is in hoeverre de voorliggende voorstellen daadwerkelijk een probleem aanpakken. Het WODC-onderzoek geeft wat mijn fractie betreft wel aanleiding om de vraag te stellen, maar geen overtuigend bewijs dat deze ingreep in de wet noodzakelijk is. Als ik in het onderzoek lees dat we over de consequenties van het contactverlies voor kinderen weinig weten vanuit de literatuur en dat de meeste literatuur is gericht op gevolgen van contactbreuk voor grootouders, komen bij mijn fractie al vragen naar boven. Ook het vergelijkend onderzoek met andere landen die onderhevig zijn aan het Internationaal Verdrag van de Rechten van de Mens en het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind geeft een gemengd beeld. Kan de staatssecretaris aangeven hoe deze wet voldoet aan en uitvoering geeft aan het Kinderrechtenverdrag?
De staatssecretaris geeft ook aan niet over gegevens te beschikken over het aantal zaken waarin de rechter grootouders niet-ontvankelijk heeft verklaard. Op vragen over de verdere druk op de rechtspraak die deze wetswijziging geeft, geeft de staatssecretaris aan dat dit tot een toename van omgangsverzoeken zal leiden van 450 in het eerste jaar naar een afvlakking tot 110 in het derde jaar. Dat aantal klinkt niet hoog, maar is wel een toename van 18%, afvlakkend naar 4%. Dit betekent dus wél extra druk. Kan de staatssecretaris bevestigen dat de middelen hiervoor worden vrijgemaakt? Hoeveel geld heeft zij hiervoor op de begroting extra vrijgemaakt? Een daaraan gelieerd probleem is de toename van het mogelijke juridische misbruik. Ook hier is in de schriftelijke behandeling op ingegaan. Daarin leest mijn fractie een aantal passages die grote vraagtekens oproepen. Om het kort te houden: mijn vraag aan de staatssecretaris is of zij al zicht heeft op het verbeterplan voor het recht op omgang dat de staatssecretaris in de schriftelijke behandeling aankondigt. Wat is de tijdslijn?
Voorzitter. Dan graaft mijn fractie nog een beetje verder. We zullen helaas ook rekening moeten houden met juridisch misbruik in gevallen waarin een van de ouders verdacht wordt van of veroordeeld is voor misbruik binnen het gezin. Het is niet uitgesloten dat die ouder de route van de omgang met de grootouders probeert in te zetten om alsnog contact te krijgen. In de beantwoording van de vragen hierover geeft de regering gelukkig aan zich van dit mogelijke risico bewust te zijn. Daarop volgt echter direct de kwalificatie dat het recht van een kind en grootouders op omgang een individueel recht is. Bovendien zouden grootouders ook stabiliteit kúnnen bieden en de beschermende factor kúnnen vormen. Ik wijs op het werkwoord "kunnen". Dat is wat mijn fractie betreft niet genoeg. Juridisch misbruik van grootouders die op die manier hun misbruikend kind in bescherming nemen, legt een groot mentaal beslag op de slachtoffers. Voor mijn fractie werpt zich de ethische vraag op of één zo'n geval van misbruik opweegt tegen tien gevallen van een iets langere procedure voor een grootouder om omgang met zijn of haar kleinkind te krijgen. Hoe weegt de staatssecretaris dit?
Voorzitter. Als laatste thema gaat mijn fractie verder in op terecht gestelde vragen over de kinderen in regenbooggezinnen en kinderen die uit gezinnen met meerouderschap komen. Voor wat betreft de regenbooggezinnen is het antwoord van de regering in essentie dat grootouders die bij deze gezinnen horen nog steeds een gewone procedure kunnen volgen. Kan de staatssecretaris erop reflecteren hoe dit vanuit het perspectief van een kind van 8 jaar werkt? Wie moet uitleggen dat de grootouder van de moeder die het kind heeft gedragen wél een versnelde procedure krijgt en de grootouder van de moeder die het kind die niet heeft gedragen niet? Wat is voor het kind het verschil? De regering legt in haar antwoord uit dat het niet voornemens is om meerouderschap mogelijk te maken. Daar is ook in 2025 een brief over gestuurd. Nu is er in de Tweede Kamer in november 2025 een initiatiefvoorstel ingediend om meerouderschap wél mogelijk te maken. Mijn fractie vermoedt dat hier wellicht tijdens de coalitieonderhandelingen afspraken over zijn gemaakt. Daarom is het volgens mijn fractie gerechtvaardigd de vraag te stellen hoe een eventueel meerouderschap in de wet kan worden verwerkt. Graag vraag ik van de staatssecretaris een reactie hierop. Ik kijk uit naar het antwoord van de staatssecretaris.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Janssen van de SP.