Verslag van de vergadering van 10 maart 2026 (2025/2026 nr. 20)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 16.12 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
De heer Janssen i (SP):
Voorzitter, dank u wel. Ik hoorde de heer Van Gasteren zich beklagen dat alles wel zo'n beetje gezegd was toen hij als achtste spreker aan de beurt was. Ik zou zeggen: probeer het eens als twaalfde spreker.
Voorzitter. Ik wil mijn bijdrage beginnen met de conclusie van mijn SP-collega Michiel van Nispen in de Tweede Kamer bij de behandeling van dit wetsvoorstel: "Mijn vrees is dat we met onze goede bedoelingen het nu zo ruim dreigen te formuleren dat voortaan gemiddeld zes partijen in conflictsituaties recht hebben op omgang met een kind en dat de weigeringsgronden te beperkt zijn, waardoor de juridisering en de conflictsituaties waarin een kind zich kan bevinden, verder toenemen. Dat lijkt mij uiteindelijk niet in het belang van het kind." De SP was dan ook een van de drie partijen in de Tweede Kamer die tegen dit wetsvoorstel hebben gestemd, samen met de SGP en de VVD.
Ik heb bij de voorbereiding van dit debat oprecht met een open blik geprobeerd of ik tot een andere conclusie zou kunnen komen. Heel eerlijk: ik ben daar niet in geslaagd. Dat klinkt misschien al als een afsluiting van mijn bijdrage, maar daarmee zou ik de behandeling hier vandaag echt tekortdoen, omdat er wel meer over te zeggen is. In de vier jaar waarin ik als gedeputeerde in de provincie Zuid-Holland de portefeuille Jeugdzorg mocht doen — ik zeg "mocht doen", want dat was echt een voorrecht — heb ik één ding heel goed geleerd, namelijk luisteren. Ik ben in die periode op indringende wijze met de neus op de feiten gedrukt en heb lessen geleerd voor het leven door mijn gesprekken met de kinderen om wie het ging. Ik heb het woord "cliënt" overigens nooit over mijn lippen kunnen krijgen als het over deze kinderen ging. Dat was heel gebruikelijk bij jeugdzorginstellingen, maar ik heb het toch maar over "kinderen". Ik heb geleerd wat het voor kinderen betekent om in procedures getrokken te worden waarin over hen beslist wordt, hoe het belang van het kind door anderen dan het kind zelf wordt bepaald en wat het voor een kind betekent om het lijdend voorwerp te zijn in een juridisch gevecht.
Dit wetsvoorstel gaat immers niet over een situatie waarin er harmonie is tussen kinderen, ouders, grootouders en alle anderen en waarin alle omgang liefdevol, prettig en veilig op een natuurlijke manier verloopt, een situatie die fijn en veilig is voor het kind. Deze wet zou er moeten zijn voor die gevallen waarin dit niet het geval is, waarin iets geëist wordt omdat een vraag niet wordt gehonoreerd. Het gaat hier over die situaties en over wat het doet met het kind als grootouders een recht krijgen op jou, een recht om jou te zien en met jou om te gaan, een recht dat juridisch zal kunnen worden afgedwongen en dat jou tot het lijdend voorwerp van zo'n rechterlijke procedure maakt. Dat recht zou overigens, als je als grootouders juridisch al gelijk zou krijgen, een pyrrusoverwinning kunnen blijken te zijn als er niet wordt meegewerkt aan de uitvoering van die uitspraak. Wat kun je doen? Omgangsrecht laat zich niet afdwingen. Dat hebben we ondertussen toch wel geleerd van conflictsituaties bij ouders? Een ouder staat machteloos als de partner de kinderen ondanks een uitspraak niet op het afgesproken tijdstip brengt of zelfs structureel weghoudt van de ander. Het daadwerkelijk afdwingen van het geschonden omgangsrecht bestaat niet. Waarom zou dat bij grootouders anders zijn? Wat regelen we dan met deze wet, is mijn vraag aan de staatssecretaris. Moeten grootouders dan nog een keer naar de rechter stappen om te procederen in kort geding? Moeten er dwangsommen opgelegd gaan worden? Moet er worden gegijzeld om medewerking af te dwingen? Moet de politie iemand ophalen, en dat allemaal in het belang van het kind? Hoe rijmt de staatssecretaris dit?
De Kinderombudsman is al een paar keer geciteerd. Die heeft hier ook grote zorgen over uitgesproken en naar aanleiding van dit wetsvoorstel geadviseerd vast te leggen dat omgang alleen wordt toegewezen als het in het belang van het kind is, en dus niet "omgang tenzij dit niet in het belang van het kind is". Het is al vaker geciteerd: de mening van het kind dient zo veel mogelijk en expliciet te worden meegewogen. De SP-fractie deelt deze mening van harte.
Voorzitter. De fractie van de SP gunt ieder kind een liefdevolle omgang met ouders en grootouders, hoe het gezin ook is samengesteld en in alle mogelijke variaties, zolang dat maar in het belang van het kind is. Dat staat voor mijn fractie voorop.
Voorzitter. Ik kom langzaam tot een afronding, want er is al veel gezegd. Ik hoop bij leven en welzijn deze zomer voor het eerst grootvader te worden. Ik heb echt geprobeerd mij bij de voorbereiding van dit debat in alle mogelijke situaties in te leven: wat zou het betekenen als er een conflict zou ontstaan tussen de ouders van ons kleinkind, waardoor er een gevecht zou ontstaan over omgang tussen de ouders, met mij als grootouder? Maar van welke kant ik het ook probeerde te bekijken, ik kwam steeds weer tot een en dezelfde conclusie: het gaat niet om mij. Het gaat om het kind, niet om mij, hoe pijnlijk dat ook kan zijn. Maar die pijn hoort dan bij mij en niet bij het kind.
Kijkend naar het wetsvoorstel dat wij vandaag behandelen, betekent dit dat ik de conclusie van mijn SP-collega Van Nispen in de Tweede Kamer volledig onderschrijf. Het is niet gebruikelijk, maar laat ik daarom ook meteen duidelijk zijn: dit wetsvoorstel is ook naar de mening van de SP-fractie in de Eerste Kamer niet in het belang van het kind. Wij zullen dit dan ook niet kunnen steunen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Dan geef ik tot slot het woord aan de heer Beukering van de Fractie-Beukering.