Plenair Van Bijsterveld bij behandeling Wet transparantie en tegengaan ondermijning door maatschappelijke organisaties



Verslag van de vergadering van 17 maart 2026 (2025/2026 nr. 21)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 15.44 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Van Bijsterveld i (JA21):

Voorzitter. Bij dit wetsvoorstel draait het om een klassieke vraag in de democratische rechtsstaat. Hoever mag de overheid gaan wanneer zij optreedt in het algemeen belang of op grond van de openbare orde? Overheidsingrijpen raakt snel aan individuele rechten en vrijheden. Dat is niet per definitie verkeerd, maar wel met eisen omgeven. Inmenging in grondrechten kan gerechtvaardigd zijn wanneer daar een duidelijke noodzaak voor bestaat. Dan komen de bekende beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit in beeld. Dat zijn geen abstracte leerstukken uit een handboek staatsrecht, maar praktische grenzen aan het handelen van de overheid.

Precies die afweging ligt ook onder dit wetsvoorstel. Aan de ene kant is er het belang om ondermijning tegen te gaan en zicht te krijgen op geldstromen die mogelijk worden gebruikt om de democratische rechtsorde te ondergraven. Aan de andere kant raken de instrumenten uit dit wetsvoorstel aan vrijheden die in een open samenleving juist bescherming verdienen. Het moet echter duidelijk zijn dat, indien activiteiten de rechtsorde ondermijnen of de openbare orde in gevaar brengen, de overheid mag en moet optreden.

Wie de democratische rechtsstaat serieus neemt, kan niet wegkijken wanneer maatschappelijke organisaties worden gebruikt als vehikel voor ondermijnende activiteiten of ongewenste buitenlandse beïnvloeding. Transparantie, vragen over financiering bij gerede verdenking en de mogelijkheid om in te grijpen wanneer dat nodig is, zijn gerechtvaardigde instrumenten. Dit wetsvoorstel geeft de overheid een instrument om te voorkomen dat geldstromen uit al dan niet onvrije en antiwesterse landen worden ingezet om de democratische rechtsorde van binnenuit te ondermijnen.

Tegelijkertijd is het goed om te beseffen dat wij hier niet spreken over een voorstel dat plotseling op tafel ligt. Het wetsvoorstel werd al op 20 november 2020 ingediend en heeft sindsdien een langdurig wetgevingstraject doorlopen. In de jaren erna zijn er consultaties geweest, adviezen uitgebracht, wijzigingen aangebracht en is het voorstel uitvoerig behandeld in de Tweede Kamer, waar het uiteindelijk op 1 april 2025 met 114 stemmen voor is aangenomen. Met andere woorden: dit voorstel is inmiddels meer dan vijf jaar in ontwikkeling. In zo'n lang traject mag toch worden verwacht dat eventuele fundamentele bezwaren vanuit het lokaal bestuur tijdig naar voren worden gebracht. Tegen die achtergrond is het opmerkelijk dat juist nu, ten langen leste, vanuit de kring van burgemeesters onder meer via de VNG bedenkingen worden geuit over de rol van de burgemeester zoals voorzien in dit wetsvoorstel.

Tijdens een deskundigenbijeenkomst in de Eerste Kamer op 25 november 2025 brachten de VNG en het Nederlands Genootschap van Burgemeesters naar voren dat de bevoegdheid voor burgemeesters om donatiegegevens op te vragen niet goed zou passen bij de openbareordetaak van de burgemeester, en de positie van het ambt zou kunnen politiseren. De VNG en het genootschap van burgemeesters onderschreven echter bij schrijven van 31 januari 2020 wel het doel en de strekking van het wetsvoorstel. Ik citeer: "Onze leden herkennen de onderliggende problematiek waar het wetsvoorstel aan refereert. Een donatieoverzicht heeft zeker meerwaarde, met name voor opsporingsdiensten en toezichthoudende instanties. Het werkt mogelijk afschrikkend voor foute donaties, en daarbij kan het een ingang zijn om met organisaties in gesprek te komen. Gemeenten geven dan ook aan dat dit wetsvoorstel hen in een recent verleden van dienst had kunnen zijn." Einde citaat. De bedenkingen zijn dus vreemd, vreemd getimed en bovendien inhoudelijk niet te billijken. De taak van de burgemeester in het kader van de openbare orde brengt namelijk vrijwel altijd met zich mee dat belangen tegen elkaar moeten worden afgewogen.

De bevoegdheden uit de Gemeentewet gaan over situaties waarin veiligheid, grondrechten, maatschappelijke rust en lokale verhoudingen samenkomen. Denk aan demonstraties, gebiedsverboden of het sluiten van panden. Dit soort besluiten is nooit puur technisch. Er is buitengewoon vaak een politiek aspect aan de besluiten die de burgemeester nou eenmaal moet nemen. De bevoegdheid van een burgemeester om onder andere informatie op te vragen, is daarentegen niet politiek van aard. Het gaat hier namelijk om een instrument om de informatiepositie te versterken wanneer daar aanleiding toe is. Bovendien bepaalt het wetsvoorstel dat de burgemeester vooraf overleg moet voeren met het Openbaar Ministerie voordat een dergelijk informatieverzoek kan worden gedaan.

Dat de burgemeester boven partijen staat, betekent niet dat hij of zij buiten het bestuur staat. Als voorzitter van zowel het college als de gemeenteraad, en als bestuursorgaan met eigen bevoegdheden moet hij binnen het lokale bestuur voortdurend keuzes maken over het waarborgen van de openbare orde en de veiligheid. Juist de risico's voor de democratische rechtsstaat die dit wetsvoorstel beoogt tegen te gaan, worden vaak zichtbaar op lokaal niveau. Daar komt bij dat de burgemeester bij uitstek lokaal geworteld is en goed zicht heeft op wat er speelt in zijn gemeente.

Binnen de lokale driehoek van burgemeester, politie en het Openbaar Ministerie komt bovendien veel informatie bij hem samen. Tegen die achtergrond begrijpt mijn fractie de plotselinge zorg van de VNG niet goed. De bevoegdheid waar het hier om gaat, ligt immers in het verlengde van een verantwoordelijkheid die burgemeesters al decennialang dragen: het bewaken van de openbare orde en het tijdig signaleren van ontwikkelingen die de orde kunnen ondermijnen. Juist in een tijd waarin toenemende buitenlandse inmenging een risico vormt voor onze democratische rechtsstaat is het ondenkbaar dat deze cruciale schakel van het lokale veiligheidsbestel buiten beeld zou blijven.

Mevrouw Veldhoen i (GroenLinks-PvdA):

Ik heb toch de neiging om even op te komen voor de burgemeesters. Ik zou zeggen: beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald. De burgemeesters zijn blijkbaar tot een ander inzicht gekomen gedurende het traject van dit wetsvoorstel. Ik kan me voorstellen dat het kader voor de burgemeestersbevoegdheden dat door Binnenlandse Zaken is opgesteld daarbij een belangrijke rol heeft gespeeld. Zou mevrouw Van Bijsterveld daarop in willen gaan? Leg dit wetsvoorstel langs het kader en je kunt maar tot één conclusie komen. Die is dat het niet past bij de taak van de burgemeester. Hoe kijkt mevrouw Van Bijsterveld daarnaar?

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

Hoe kijkt mijn fractie daarnaar? Mijn fractie kijkt ernaar zoals ik net heb betoogd. Dat wil zeggen dat wij vinden dat de burgemeester wel degelijk met de handvatten die in dit wetsvoorstel worden gegeven, zijn taak als burgemeester goed kan uitvoeren. Dat brengt geen politisering van de positie van de burgemeester met zich mee, ook gezien de waarborgen die in de wet zijn opgenomen. De burgemeester móét het niet doen; hij kán het doen. Hij heeft daarin een eigen afweging te maken. Hij zal van tevoren overleg voeren met het OM. Deze notitie is er, maar nogmaals, dat betekent niet dat wij er een andere mening op na kunnen houden.

Mevrouw Veldhoen (GroenLinks-PvdA):

Maar wat is de waarde van het opstellen van een dergelijk kader als je als overheid je daar vervolgens zelf niet aan houdt? Het kader wordt natuurlijk niet voor niets opgemaakt. Ik vraag me ook af wat het voor mevrouw Van Bijsterveld en haar fractie betekent dat de burgemeester zelf en ook de VNG aangeven dat zij deze bevoegdheid niet zien zitten. Wat is dan het oordeel van mevrouw Van Bijsterveld over de uitvoerbaarheid? Een wetsvoorstel moet natuurlijk ook uitvoerbaar zijn. Juist de organisaties, niet alleen de VNG en het genootschap van burgemeesters, maar ook het OM, zeggen: wij willen en kunnen dit niet uitvoeren. Dan zal de Eerste Kamer zich daarover toch moeten bekommeren, lijkt mij. Hoe kijkt mevrouw Van Bijsterveld daarnaar?

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

Ik vind het heel interessant. Wat is nou het doel van deze wet? Het doel van deze wet is het tegengaan van ondermijning. Het doel is het tegengaan van beïnvloeding uit het buitenland, van binnen Europa — dat kan ook — of uit Nederland, die tot doel heeft onze rechtsorde of onze rechtsstaat te ondermijnen. Je wil toch dat daar publiekelijk tegen wordt opgetreden en dat er grenzen worden gesteld? Wie moet het dan wel doen, als het OM en de burgemeester zich daarvan terugtrekken? Ik vind het heel spijtig. Ik denk dan bij mezelf: vinden we het nou wel of niet belangrijk dat we in Nederland de rechtsorde handhaven?

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Veldhoen.

Mevrouw Veldhoen (GroenLinks-PvdA):

Tot slot. Ik denk dat er een heel groot verschil van kijk op de zaak is. Kan mevrouw Van Bijsterveld misschien aangeven welke zaken er de afgelopen jaren hebben gespeeld? We hebben natuurlijk een heel breed kader. Dat is al door verschillende sprekers naar voren gebracht. We hebben 2:20 BW, antiwitwaswetgeving en anbiwetgeving. De Belastingdienst heeft ook allerlei bevoegdheden. Bij mij is er niet één zaak bekend die heeft geleid tot een rechterlijke uitspraak wat betreft ondermijning. Er is ook geen rechterlijke uitspraak waarin is gezegd: "We kunnen niet met 2:20 uit de voeten. We halen die drempel niet en hebben eigenlijk aanvullende wetgeving nodig." Het OM zegt geen aanvullende wetgeving nodig te hebben. Burgemeesters zeggen niet dat aanvullende wetgeving noodzakelijk is. Mevrouw Van Bijsterveld schetst hier het beeld dat we een heel groot risico lopen, maar in de praktijk is van helemaal geen enkel risico iets gebleken. Ik heb niet één zaak kunnen vinden waarin er sprake was van ondermijning, maar er niks gedaan kon worden. Ik heb ook bij de regering naar zulke zaken gevraagd en ik heb daar geen antwoord op gekregen.

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

Ik kom daar dadelijk in mijn verdere bijdrage op terug. Zou u die even willen afwachten? Als er dan toch nog een vraag is daarover, dan zal ik die uiteraard beantwoorden.

De heer Nicolaï i (PvdD):

Mevrouw Van Bijsterveld wijst er terecht op dat de positie van de VNG eigenlijk veranderd is. Ik zeg "terecht" als het gaat om de feiten, maar de enige vraag die beantwoord moet worden, is of de positie die nu is ingenomen in overstemming is met de wet. Het gaat om de handhaving van de openbare orde, uit artikel 172. Er is gewoon rechtspraak over. De heer Doornhof is daar eigenlijk terecht op ingegaan. Als er in artikel 3 naar wordt verwezen dat het verzoek moet plaatsvinden in het kader van de handhaving van de openbare orde zoals bedoeld in artikel 172 en je gaat er rechtspraak op toepassen, dan zal de burgemeester die bevoegdheid waarschijnlijk nooit kunnen toepassen. Mijn vraag aan mevrouw Van Bijsterveld is of zij artikel 3 niet eigenlijk heel anders uitlegt. Ik hoor u het een paar keer hebben over "ondermijning" en de "rechtsorde". U zegt dat u vindt dat de burgemeester moet worden ingeschakeld omdat die bij uitstek het geëigende orgaan is om de rechtsorde te bewaken, maar dat staat niet in deze bepaling. Er staat: de openbare orde en artikel 172 gaan echt over de daadwerkelijke, feitelijke en onmiddellijke handhaving van de openbare orde. Graag een reactie.

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

Het doel van de wet gaat natuurlijk over de ondermijning. Dan krijg je de gereedschapskist die de burgemeester kan gebruiken in het kader van de openbare orde en die het OM kan gebruiken als het in strijd is met de wet of de statuten. Dat is de volgorde. Mijn fractie is en blijft van mening dat de burgemeester wel degelijk een taak te verrichten heeft op het lokale niveau. De burgemeester is juist degene die informatie het snelst tot zich krijgt. Als er op basis van gedraging of activiteit van een maatschappelijke organisatie zou blijken dat er iets aan de hand is, dan kan — hij moet niet, maar hij kan — de burgemeester vragen om donatiegegevens. Dat is waar deze wet over gaat. Mijn fractie ziet daar geen probleem in.

De heer Nicolaï (PvdD):

Ik neem aan dat mevrouw Van Bijsterveld het met mij eens is dat de burgemeester een bevoegdheid in het kader van de wet moet uitoefenen. Als de wet hem alleen een bevoegdheid geeft om iets te doen aan de daadwerkelijke en onmiddellijke handhaving van de openbare orde, dan is wat mevrouw Van Bijsterveld vraagt iets anders. Dat gaat er namelijk over dat het wel handig zou zijn als de burgemeester dat soort bevoegdheden zou kunnen hanteren, in het kader van tegengaan van ondermijning en het beschermen van onze democratische rechtsorde. Maar hij krijgt niet de bevoegdheid om te doen waar mevrouw Van Bijsterveld om vraagt. Hij krijgt de bevoegdheid om in het kader van artikel 172 van de Gemeentewet de openbare orde te handhaven. Daar hoor ik eigenlijk geen reactie op. Nogmaals, mijn vraag is hoe mevrouw Van Bijsterveld dat ziet.

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

Nogmaals, ik val in herhaling. De openbare orde is nou eenmaal de grondslag voor de burgemeester om te doen wat hij of zij wil doen in het kader van informatie die hem of haar wordt aangereikt. Op basis van die informatie denkt de burgemeester: ik krijg nu van verschillende kanten diverse geluiden over deze maatschappelijke organisatie in mijn gemeente; ik ga daar informatie opvragen in het kader van de Wtmo. De burgemeester kan misschien op grond van een heleboel andere wetgeving ook nog zaken aanpakken, maar op grond van deze wet, de Wtmo, kan de burgemeester informatie opvragen bij maatschappelijke organisaties over donatiegegevens indien hij of zij dat op dat moment opportuun acht. De burgemeester kan die afweging maken en zal die afweging ook lokaal moeten maken, met het OM, want er is van tevoren ook overleg met het OM. Ik zie dus nog steeds het probleem niet dat u mij voor de voeten wilt werpen, namelijk dat het niet zou kunnen en dat de burgemeester niet bevoegd zou zijn.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Nicolaï.

De heer Nicolaï (PvdD):

Nou ja, als je de commentaren van alle wetsgeleerden leest en de rechtsspraak volgt, is de eerste vraag die de burgemeester zich moet stellen: kan ik het verzoek dat ik nu ga doen, doen in het kader van de daadwerkelijke handhaving van de feitelijke openbare orde, ja of nee? Dat doet hij niet, want hij doet het omdat hij de rechtsorde in de zin zoals mevrouw Van Bijsterveld naar voren brengt, wil bewaken. Dat is mooi, maar die bevoegdheid heeft hij in deze wet niet. Dus nogmaals — ik denk dat we in herhaling vervallen — u leest die bepaling verkeerd. Er staat echt dat het moet in het kader van de openbare orde als bedoeld in artikel 172 Gemeentewet. De heer Doornhof heeft er terecht op gewezen dat dat hier helemaal niet aan de orde is als je het hebt over verzoeken om ondermijning te onderzoeken en de rechtsorde te beschermen. Dank u wel.

De heer Talsma i (ChristenUnie):

Ik luister met plezier naar het betoog naar collega Van Bijsterveld. Ze begon met een heel mooie, klassieke vraag, namelijk de rechtsstatelijke vraag hoever de overheid mag gaan. Zij kwam daarbij met een heel geruststellende formulering: er moet volgens collega Van Bijsterveld sprake zijn van een gerede verdenking. Eerst maar even de feitelijke vraag of collega Van Bijsterveld het met mij eens is dat de term "gerede verdenking" of zelfs iets wat daarop lijkt, niet voorkomt in het wetsvoorstel.

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

Dat is correct.

De heer Talsma (ChristenUnie):

Dank u zeer. Dan zijn we het daarover eens. Dan de vervolgvraag. Het kader waar het in de vorige interruptiedebatjes al over ging, is dan natuurlijk wel het kader van de openbare orde, de handhaving van de openbare orde als bedoeld in artikel 172 Gemeentewet. Collega Doornhof heeft het daar zojuist over gehad en heeft volgens mij met kracht van argumenten betoogd dat het daarbij gaat over de daadwerkelijke onmiddellijke handhaving van de openbare orde. Mijn vraag aan collega Van Bijsterveld is of zij zich een situatie kan voorstellen — ik kan dat namelijk niet, maar zij misschien wel — waarin de burgemeester ter onmiddellijke handhaving van de openbare orde iets zou hebben aan het opvragen van donatiegegevens, een vraag die dan binnen een termijn van — wat is het? — vier weken mag worden beantwoord.

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

Ik refereer toch maar weer even aan wat de burgemeesters daarover zelf hebben aangegeven. Zij gaven aan dat het hen in een recent verleden van dienst had kunnen zijn. Ik ben niet bij die lokale situaties geweest, maar als zij dat zelf zeggen, ga ik ervan uit dit dat niet uit de lucht is komen vallen en dat er zich dus wel degelijk situaties hebben voorgedaan op lokaal niveau waarvan de burgemeesters zelf zeggen dat het hen van dienst had kunnen zijn. Dat is dus mijn antwoord op de vraag daarover.

De heer Talsma (ChristenUnie):

Ik vind het een geruststellende gedacht dat collega Van Bijsterveld ook zo'n situatie niet kan verzinnen. We horen die misschien straks nog van de minister, want ik ga de vraag ook aan hem stellen. Mijn laatste vraag op dit moment aan collega Van Bijsterveld is hoe zij, dan wel hoe haar fractie dan kijkt naar dat zevende lid — collega Veldhoen had het er al even over — waarbij het niet meer alleen maar gaat over de burgemeester en het niet meer alleen gaat over het Openbaar Ministerie, maar waarbij zo'n beetje driekwart van de vaderlandse wetshandhaving — ik zal niet overdrijven en "de hele wereld" zeggen — dezelfde bevoegdheid moet krijgen. Hoe kijkt de fractie van JA21 daarnaar?

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

Ik ben blij dat u die vraag stelt, collega. Volgens mij gaat het er in dit artikel om dat de informatie die de burgemeester uiteindelijk tot zich neemt, alleen maar bestemd is voor het doel en de taak van de organisatie waarmee de gegevens gedeeld kunnen worden. Het is dus niet zo dat het ongebreideld is en iedereen het zomaar tot zich kan nemen; het moet voor het doel en de taak van de organisatie zijn waarmee de burgemeester het gaat delen. Volgens mij is het dus niet zoals collega Veldhoen het heeft neergelegd, maar ik hoor inderdaad graag van de minister hoe hij dit ziet. Ik zie daar een beperkende situatie in. Ik zie daar niet in dat iedereen dat zomaar maar kan doen, want zo staat het er ook niet.

De heer Dittrich i (D66):

Dit antwoord begrijp ik toch niet helemaal als ik lid 7 lees, want daarin staat dat al die instanties zelf donatiegegevens kunnen opvragen. Het is dus niet zo dat zij moeten wachten tot de burgemeester hen iets aanreikt; ze mogen het zelf doen. Dat zijn toch wel heel erg veel instanties die maatschappelijke organisaties dan de maat kunnen gaan nemen.

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

Het wordt echt beperkt. Maar, nogmaals, ik heb hier een iets andere kijk op, dus ik neem dit even van collega Dittrich aan. Het gaat erom dat die organisaties dat alleen maar kunnen doen op basis van hun eigen doel en eigen taak, en dus niet zomaar. Daarin zit dus een beperking ten aanzien van het opvragen van de gegevens.

De heer Dittrich (D66):

Ja, maar als je kijkt naar de tekst van lid 7, artikel 3, dan staat dat er niet. Er staat gewoon dat zij de bevoegdheid hebben om die gegevens op te vragen.

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

Maar in de toelichting en ook in het verslag en de beantwoording, wordt wel degelijk meegegeven dat het niet allesomvattend is, maar wel moet passen binnen het doel en de taak van de organisatie die die informatie opvraagt.

De heer Nicolaï (PvdD):

Daarop aansluitend: heeft mevrouw Van Bijsterveld al kennisgenomen van wat er in artikel 3 voor de burgemeester is geregeld? De burgemeester doet een verzoek om wat meer informatie, over herkomst enzovoorts. Er staat: de burgemeester oefent deze bevoegdheid niet uit dan nadat hij daarover met het Openbaar Ministerie overleg heeft gevoerd. Dat zou een beetje aansluiten bij vragen over ondermijning, of er geen dingen gebeuren die tegen het strafbare aanzitten enzovoorts. Het gaat mij om die zin, het feit dat dat overleg moet worden gevoerd met het Openbaar Ministerie. Het zevende lid zegt namelijk juist dat dat niet geldt voor die andere organisaties die vragen kunnen gaan stellen. Hoe kijkt u daar tegenaan?

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

Nogmaals, vanuit het doel en de taak van die organisaties … Als er verdenkingen zijn, geluiden zijn of informatie bij elkaar komt waaruit blijkt dat er problemen zijn bij bepaalde maatschappelijke organisaties, dan kunnen die gegevens worden opgevraagd. Ik heb hier nu niet de letterlijke tekst voor me liggen, anders zou ik met u mee kunnen lezen. Ik zou anders willen vragen aan de minister om het antwoord op deze vraag misschien iets explicieter te maken, want ik denk dat het de taak van de minister is om dit hier, op deze manier, te verdedigen. Maar nogmaals, ik lees hier niet de reikwijdte in die u eraan toekent.

De heer Nicolaï (PvdD):

Ik zou dan graag aan mevrouw Van Bijsterveld de vraag willen voorleggen hoe JA21 aankijkt tegen het feit dat een politieambtenaar, welke politieambtenaar dan ook, ter uitvoering van de politietaken — zo staat het in de Politiewet — en dus niet voor strafrechtelijke handhaving, of als er sprake is van een verdachte enzovoorts, op grond van dat zevende lid zonder enig overleg met de officier van justitie die vragen kan gaan stellen, informatie over herkomst kan verlangen en gewoon kan binnenlopen bij een organisatie en zeggen: "Iemand heeft mij verteld dat er een donatie is geweest, enzovoorts enzovoorts. Heeft u die wel geregistreerd? Waar komt die donatie vandaan?" Als dat zo is, vindt JA21 dit dan niet een veel te vergaand gevolg van deze wet?

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

Laat duidelijk zijn: daar waar grondrechten schuren, kiest JA21 voor de veiligheid en ervoor zorgen dat instanties in staat zijn om onze rechtsstaat niet te laten ondermijnen en om de rechtsstaat veilig te houden. Wij denken vaak anders over de vraag wat dan vóórgaat. Wat bij ons dan vaak de doorslag geeft, is het veiligheidsaspect in plaats van het privacy-aspect of de overweging dat de grondrechten van maatschappelijke organisaties hiermee te veel geschonden zouden worden.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Nicolaï.

De heer Nicolaï (PvdD):

Ter afsluiting zou ik mevrouw Van Bijsterveld willen voorstellen om eens een keer met de burgemeester van Boedapest te praten; dat benoemde de heer Dittrich al.

Mevrouw Veldhoen (GroenLinks-PvdA):

Mevrouw Van Bijsterveld zei "ik heb de tekst niet voor me", dus die lees ik even voor. Artikel 3 lid 7 luidt: "De in de artikel 28a, eerste lid, onderdelen […] genoemde personen en instanties" — die heb ik net allemaal opgenoemd in mijn spreektekst: de Belastingdienst, de AIVD, de politie et cetera — "zijn op grond van hun daarin genoemde wettelijke taken bevoegd om bij de maatschappelijke organisatie een verzoek als bedoeld in het eerste lid te doen." Ze hebben dus een zelfstandige bevoegdheid om een bezoek te doen. Nou is mijn vraag: als al die organisaties dat al kunnen, wat is dan in de optiek van mevrouw Van Bijsterveld de meerwaarde ervan dat de burgemeester dat ook kan? Kennelijk is haar standpunt dat deze organisaties dat op grond van hun wettelijke taken al kunnen. Dan heb ik eigenlijk twee vragen: waarom moet de burgemeester dat dan nog kunnen en waarom moet dat dan hier alsnog worden genoemd?

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

Ik heb, denk ik, al genoegzaam in mijn bijdrage aangegeven dat mijn fractie vindt dat de burgemeester in zijn positie in de lokale driehoek, waar alles samenkomt, die heel veel informatie binnenkrijgt, juist een hoeder is en dat die als er dingen niet goed gaan in de lokale situatie daarop kan ingrijpen. Dat kan hij wel of niet doen. Dat standpunt blijft hetzelfde. Dat verandert niet, ondanks het feit dat allerlei andere organisaties dat ook allemaal kunnen doen.

Mevrouw Veldhoen (GroenLinks-PvdA):

Dan de tweede vraag. We verschillen fundamenteel van mening daarover. Ik denk dat ik mevrouw Van Bijsterveld er niet van ga overtuigen. Het gaat om artikel 3, lid 7. Mevrouw Van Bijsterveld zegt dat die organisaties die informatie al kunnen opvragen op grond van hun eigen wettelijke taken. Zo begrijp ik haar antwoord. Waarom is dat dan in artikel 3, lid 7, alsnog geregeld?

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

Wat ik bedoelde te zeggen, is dat die organisaties dat kunnen opvragen vanuit het doel en de taak waarvoor ze zijn opgericht. Maar dat betekent niet dat dat in andere wetten … Dat weet ik niet, of die reikwijdte precies hetzelfde is. Er werd ook gezegd in de toelichting dat dit instrument als het gaat om de integraliteit van maatregelen die we kunnen nemen, een lacune opvult, omdat het hier juist gaat om het opvragen van donatiegegevens en dat dat in andere wetgeving eigenlijk niet zo expliciet is opgenomen. Dus wat dat betreft lees ik in de toelichting en in de antwoorden in de verslagen dat juist dit stukje wetgeving een lacune opvult en daarmee de integraliteit bevordert.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Veldhoen.

Mevrouw Veldhoen (GroenLinks-PvdA):

Kan mevrouw Van Bijsterveld dan ook uitleggen waarom in haar optiek organisaties als de Belastingdienst, de Autoriteit Financiële Markten of DNB deze bevoegdheid specifiek moeten krijgen?

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

Ik denk dat het goed is dat die bevoegdheden daar liggen. Waarom? Omdat het als een organisatie niet van goede zin is, goed is dat ertegen kan worden opgetreden. Dat is mijn standpunt.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

Dank u wel, voorzitter. De bevoegdheid waar het hier om gaat, ligt immers in het verlengde van een verantwoordelijkheid die burgemeesters al decennialang dragen: het bewaken van de openbare orde en het tijdig signaleren van ontwikkelingen die de orde kunnen ondermijnen. Juist in een tijd waarin toenemende buitenlandse inmenging een risico vormt voor onze democratische rechtsstaat, is het ondenkbaar dat deze cruciale schakel van het lokale veiligheidsbestel buiten beeld zou blijven.

Voorzitter. Dit wetsvoorstel ligt niet zonder reden voor ons. Maatschappelijke organisaties vervullen een belangrijke rol in onze samenleving, maar tegelijkertijd zien wij de afgelopen jaren ook dat maatschappelijke organisaties en religieuze genootschappen gevoelig kunnen zijn voor ongewenste beïnvloeding vanuit het buitenland. Er wordt door de diensten al langer gewaarschuwd dat buitenlandse financieringsstromen gepaard kunnen gaan met buitenlandse ideologische of politieke beïnvloeding die haaks staat op de waarden die wij in onze democratische rechtsstaat koesteren en hooghouden. Al uit de parlementaire ondervraging Ongewenste beïnvloeding uit onvrije landen bleek overduidelijk dat het salafistische gedachtengoed bij verschillende moskeeën voet aan de grond heeft gekregen. Deze zijn gefinancierd uit de Golfstaten, zoals Saudi-Arabië, Koeweit en Qatar. Hiermee worden antidemocratische, antirechtstatelijke en anti-integratieve denkbeelden doorgegeven aan kinderen.

Juist de eerste signalen van dit soort ontwikkelingen worden eerst zichtbaar op lokaal niveau: op straat, in de wijk, in de gemeente. Daarom is het van belang dat burgemeesters op lokaal niveau beschikken over een duidelijk handelingskader om wanneer daar aanleiding toe is meer informatie te verkrijgen en zo nodig op te treden in het belang van de openbare orde en veiligheid. Dat is niet alleen een privilege, maar ook de plicht van de burgemeester, die verantwoordelijk is voor de openbare orde. Mijn vraag aan de minister is daarom of hij het met mijn fractie eens is dat de bevoegdheid van de burgemeester in dit wetsvoorstel in feite aansluit bij diens of dier bestaande verantwoordelijkheid voor de openbare orde. Deelt hij de opvatting dat het risico van politisering hier eerder wordt overschat dan onderschat? Mijn fractie hoort graag een nadere reflectie van de minister op dit punt, want uiteindelijk gaat het hier om een principiële vraag. Als wij serieus werk willen maken van het tegengaan van ondermijning, moeten wij ook de bestuursorganen die daarvoor verantwoordelijk zijn de instrumenten geven om tijdig te handelen en moeten die bestuurders bereidwillig zijn hun taak uit te voeren. De burgemeester is er daar onmiskenbaar één van.

Tot slot heb ik nog twee vragen aan de minister. Kan de minister aangeven wat de stand van zaken is met betrekking tot de algemene maatregel van bestuur die uitvoering moet geven aan het amendement-Bikker/Becker over het hanteren van lagere drempelbedragen voor hoogrisicolanden en het amendement-Van Nispen/Mutluer voor regels voor het opknippen van donaties? De volgende vraag is of de minister eveneens kan aangeven hoe uitvoering is gegeven aan de motie-Mutluer over het opstellen van de richtsnoeren voor de toepassing van artikel 4a van deze wet. Zijn deze richtsnoeren inmiddels opgesteld?

Voorzitter. Ik rond af, sorry. Excuus voor het nemen van iets meer tijd. De zo vaak aangehaalde rechtsstaat moet niet verworden tot een retorisch instrument; die moet serieus genomen worden. Een rechtsstaat betekent niet dat je alleen dingen doet die maar één politieke stroming leuk vindt. Een rechtsstaat betekent niet dat je eist dat ambtsdragers niets doen uit hoofde van neutraliteit. Een rechtsstaat kan alleen bestaan bij het erkennen dat ambtsdragers op bepaalde momenten niet alleen iets moeten laten, maar op cruciale momenten ook evident iets moeten doen.

Voorzitter, dank u wel.

Mevrouw Veldhoen (GroenLinks-PvdA):

Ik had collega Van Bijsterveld gevraagd of zij zaken kende waaruit bleek dat het huidige instrumentarium tekortschoot. Zij gaf toen aan dat zij daar in haar verdere bijdrage op terug zou komen. Ik heb haar wel een aantal risico's horen benoemen, maar ik heb geen zaken gehoord waaruit blijkt dat een rechter door het huidige instrumentarium bijvoorbeeld heeft gezegd een zaak niet te kunnen toewijzen, omdat de drempel te hoog is. Ik heb dat, of andere zaken, niet gehoord. Dat constateer ik maar even.

De voorzitter:

Dan geef ik het woord aan de heer Nicolaï van de Partij voor de Dieren, die mede namens Volt spreekt.