Plenair Van Rooijen bij behandeling Wet transparantie en tegengaan ondermijning door maatschappelijke organisaties



Verslag van de vergadering van 17 maart 2026 (2025/2026 nr. 21)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 16.43 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Rooijen i (50PLUS):

Met dank aan collega Talsma. Ik heet de minister wederom welkom.

Voorzitter. De Wet transparantie maatschappelijke organisaties — ik kort het maar af als "Wtmo" — heeft feitelijke twee doelen. Enerzijds is het doel om hoge donaties vanuit het buitenland aan maatschappelijke organisaties, waardoor ongewenste buitenlandse beïnvloeding kan ontstaat, tegen te gaan. De burgemeester en het Openbaar Ministerie krijgen de bevoegdheid om bij maatschappelijke organisaties gericht navraag te doen over donaties en de identiteit van de donateur bij giften boven de €15.000. Het tweede doel is om witwassen en terrorismefinanciering via stichtingen tegen te gaan. Stichtingen worden verplicht om hun financiële jaarstukken voortaan te deponeren bij het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. De hieruit verkregen informatie vergroot de controle-, toezicht- en opsporingstaken van het OM.

Voorzitter. Voor alle duidelijkheid: 50PLUS onderschrijft beide doelen volledig. Zowel ongewenste buitenlandse beïnvloeding als witwaspraktijken en terrorismefinanciering ondermijnen onze democratische rechtsstaat en moeten met kracht bestreden worden. Het lastige is echter dat twee actoren die van essentieel belang zijn in dit wetsvoorstel tijdens de deskundigenbijeenkomst op 25 november zeer helder en duidelijk hun bezwaren tegen de Wtmo kenbaar hebben gemaakt.

Voorzitter. Ik vat die kort samen. Een vertegenwoordiging van het Nederlands Genootschap van Burgemeesters heeft bij monde van mevrouw Scheepers de nieuw geïntroduceerde bevoegdheid van de burgemeester als volgt bekritiseerd. Volgens mevrouw Scheepers sluit de nieuwe bevoegdheid niet aan bij artikel 172 van de Gemeentewet, waarin de rol van de burgemeester beschreven staat bij het feitelijk bewaren en/of herstellen van de openbare orde. Het betekent een ongewenste oprekking van de taak van de burgemeester. Deze nieuwe informatie- en onderzoeksbevoegdheid heeft immers geen directe relatie met acute openbareordehandhaving. Is de minister van mening dat dit argument hout snijdt? Bij ernstige vrees voor het ontstaan van een verstoring van de openbare orde kan de burgemeester ingrijpen; dat is artikel 172, lid 3. Maar valt het opvragen van donatiegegevens en de interpretatie ervan, ongeacht de uitkomst, daadwerkelijk onder verstoring van de openbare orde? Graag een toelichting van de minister.

Daarnaast meent mevrouw Scheepers dat de nieuwe bevoegdheid de positie van de burgemeester aantast. Een burgemeester staat boven de partijen en is onafhankelijk. Onder druk van lokale partijen of maatschappelijke krachten zou een burgemeester kunnen overgaan tot het opvragen van donatiegegevens bij bepaalde organisaties. Dat zou een ondermijning van de neutraliteit van de burgemeester betekenen. Ziet de minister dit gevaar ook? Zo nee, waarom niet?

Bovendien beschikt een burgemeester in het algemeen niet over de nodige expertise om donatiestromen te kunnen duiden en om te bepalen of deze ondermijnend zijn voor de rechtsstaat. Het risico dat grondrechten zoals de vrijheid van meningsuiting en het recht op privacy worden geschaad, neemt toe. Deelt de minister deze zorgen? Zo nee, waarom niet?

De tweede actor die ernstige bezwaren uitte tegen dit wetsvoorstel was de heer Otte van het Openbaar Ministerie. Ook Otte worstelt met de norm en de definitie van het begrip "ondermijning". Wat houdt deze bij de Wtmo nou precies in? In de nota van wijziging zijn belangrijke verbeteringen aangebracht, waaronder de nadere invulling van de norm. Het brede karakter ervan wordt echter niet wezenlijk beperkt. De taken voortvloeiend uit de Wtmo zouden volgens Otte moeten worden uitbesteed aan een aparte toezichthouder met aparte bevoegdheden. Mijn fractie staat in beginsel positief tegenover dat voorstel. Het ontlast het OM, expertise komt in één hand tezamen en het zorgt naar het oordeel van onze fractie voor meer rechtsgelijkheid. Kan de minister aangeven of hij het voorstel om een aparte toezichthouder aan te stellen voor de Wtmo kan steunen? Zo nee, wat zijn zijn bezwaren daartegen?

Voorzitter. Een pijnpunt dat ook ter sprake kwam, is de preventieve inzet van het stakingsbevel, zoals neergelegd in artikel 4a van dit wetsvoorstel. Het OM kan de rechtbank verzoeken om een maatschappelijke organisatie die activiteiten ontplooit die erop gericht zijn om de Nederlandse democratische rechtsstaat of het openbaar gezag te ondermijnen, of die klaarblijkelijk dreigen die te ondermijnen, te bevelen om zich voor de duur van maximaal twee jaar te onthouden van bepaalde activiteiten, of om die activiteiten te staken. Terwijl de ondermijning van de democratische rechtsorde nog moet worden bewezen, kan op voorhand, dus preventief, een organisatie worden uitgeschakeld. Preventieve beperkingen zijn slechts onder strikt afgebakende omstandigheden gerechtvaardigd. De afwegingscriteria bij toepassing van een stakingsbevel zijn thans nog onvoldoende geduid. Kan de minister nadere invulling geven aan de criteria die een preventief stakingsbevel rechtvaardigen? Graag hoort mijn fractie om welke criteria dat gaat.

Voorzitter. De oud-minister van Justitie en Veiligheid erkent in de nota naar aanleiding van het verslag van 14 oktober 2025 dat op grond van bestaande wetgeving, zowel op straf- als civielrechtelijk gebied — zie artikel 20, lid 2 van het BW over een verboden rechtspersoon — wel degelijk met bestaand instrumentarium al veel kan worden bereikt. Hij wijst erop dat deze regelingen versnipperd zijn en een zekere mate van samenhang ontberen.

Voorzitter. Ik vraag de minister waarom het niet veel meer in de rede ligt om bestaande regelingen aan te passen, zodat de vermeende lacune wordt opgevuld, dan om nieuwe wetgeving te introduceren. Wat voegt dit wetsvoorstel nu eigenlijk echt toe? Graag een duidelijke toelichting.

Voorzitter, tot slot de introductie van een deponeringsplicht voor stichtingen. Ongetwijfeld leidt deze tot toename van regeldruk, administratieve lasten en een kostenverhoging voor stichtingen. Stichtingsbesturen bestaan veelal uit onbezoldigde vrijwilligers die zich belangeloos inzetten bij maatschappelijk betrokken organisaties. Is deze maatregel nog proportioneel, zo vraag ik de minister. Is dat ook niet schieten met een kanon op een mug?

Voorzitter. Wegens overlap met een belangrijke commissievergadering om 17.00 uur over box 3, en ook een om 19.00 uur waarbij ik aanwezig moet zijn — ik kan als eenmansfractie nu eenmaal niet op twee plekken tegelijk zijn — verzoek ik de minister om bij de beantwoording van mijn vragen zo mogelijk rekening te houden met mijn aanwezigheid, zodat ik er goed op kan reageren. De antwoorden van de minister gaan mij namelijk zeer ter harte.

Dank u wel.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Dan schors ik voor ongeveer vijf minuten tot 16.55 uur voor een korte biobreak.