Verslag van de vergadering van 17 maart 2026 (2025/2026 nr. 21)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 17.48 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
De heer Beukering i (Fractie-Beukering):
Voorzitter, dank u wel. Een bijzonder welkom aan de minister. Het is goed om u hier weer te zien.
Vandaag bespreken we een wetsvoorstel met een sympathieke titel. Wie kan er immers tegen transparantie zijn? Wie is er voor ondermijning van onze mooie democratische rechtsstaat? Niet de intentie van de wet is beslissend, maar de juridische kwaliteit, de proportionaliteit, de uitvoerbaarheid en de verenigbaarheid met onze rechtsstatelijke vrijheden. Precies over die punten worden vandaag door velen van ons vragen gesteld. Ik heb er zodoende al een paar uit mijn inbreng kunnen schrappen. De kernvraag is of deze wet tegen ondermijning een noodzakelijke, proportionele en rechtsstatelijk verantwoorde route biedt.
Voorzitter, ik heb een paar punten. Ons eerste punt betreft de vaagheid van de normstelling en de definities. Ze zijn ruim en rekbaar. Er ontbreekt een scherpe afbakening van wat nu precies onder ondermijnende activiteiten moet worden verstaan. Daarnaast blijft het de vraag hoe wordt voorkomen dat verschillende burgemeesters en instanties in vergelijkbare gevallen tot verschillende oordelen komen. Dat is geen detail, maar raakt de kern van de rechtsstaat. Burgers en organisaties moeten vooraf weten waar zij aan toe zijn. Een wet die diep kan ingrijpen in de vrijheid van vereniging, de privacy van donateurs en het functioneren van maatschappelijke organisaties moet niet rusten op open of vage normen die in de praktijk politiek of bestuurlijk elastisch kunnen worden toegepast.
Ons tweede punt betreft de institutionele keuze om de burgemeester hierin een centrale rol te geven. We willen graag horen van de minister of dit niet leidt tot politisering van het ambt. De burgemeester is in gemeenten immers onvermijdelijk onderdeel van het lokale politieke en maatschappelijke krachtenveld. Wanneer een burgemeester donatiegegevens gaat opvragen bij organisaties ontstaat mogelijk de schijn van selectiviteit of politieke druk. Ook blijft het de vraag of het mogelijk voorkómen van een concrete en actuele ordeverstoring, het klassieke domein van de burgemeester, wel of niet aan de orde is. Als het in wezen gaat om langdurige beïnvloeding, financieringsstromen en mogelijke ideologische beïnvloeding, begeeft de burgemeester zich mogelijk op een terrein dat eerder thuishoort bij opsporing, justitie en de rechter.
Voorzitter, ten slotte. Mijn derde punt betreft de proportionaliteit. Het is de vraag of de uitwerking van de wet in de loop der jaren niet te breed en te zwaar is geworden, en of er een sleepwetbenadering dreigt. Waarom is er niet gekozen voor een meer risicogerichte aanpak of voor minder administratief belastende alternatieven?
Voorzitter. Vrijheid van vereniging gaat niet alleen over vrijheid om een stichting of vereniging op te richten. Het gaat ook over de vrijheid om die organisatie te steunen zonder dat de overheid te snel of te makkelijk over de schouder meekijkt. Een democratische rechtsstaat beschermt niet alleen tegen ondermijning, maar ook tegen de verleiding om uit angst het vrije maatschappelijk middenveld preventief onder een vergrootglas te leggen.
Voorzitter. Wetgeving moet niet worden beoordeeld op optimistische bedoelingen of geruststellende toelichtingen. Wetgeving moet worden beoordeeld op haar tekst, systematiek en potentiële werking, ook als deze terechtkomt in minder ideale handen, bij toekomstige bestuurders en in een harder politiek klimaat. Dan moeten wij ons de vraag stellen: is het nodig dat we een wet aanvaarden die werkt met ruime normen en die een politiek gevoelig lokaal ambt extra bevoegdheden geeft?
Voorzitter. De bestrijding van echte ondermijning verdient precisie, efficiëntie en doelgerichtheid: geen mogelijk juridisch sleepnet of onnodige administratieve regels, maar effectieve slagkracht tegen ondermijning van de rechtsstaat.
Tot zover, voorzitter. We kijken uit naar de beantwoording van de vragen door de minister. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Wenst een van de leden in de eerste termijn nog het woord? Dat is niet het geval. O, ik zie dat de heer Schalk toch nog het woord wenst.
De heer Schalk i (SGP):
Dat heeft ermee te maken dat er door de heer Nicolai een vraag werd gesteld aan mevrouw Vogels. Ik vond het een beetje flauw om via mevrouw Vogels een vraag aan de minister te stellen, maar die vraag ging over de grens van €15.000. Als u zegt "stel die liever in de termijn van de minister", dan laat ik die nu schieten. Anders zou ik de vraag heel kort willen formuleren.
De voorzitter:
Aan wie stelt u de vraag?
De heer Schalk (SGP):
Eigenlijk via de heer Nicolaï aan de minister, omdat de heer Nicolaï iets inbracht in het debat.
De voorzitter:
U wilt eigenlijk uw eigen termijn nog even opplussen met een vraag aan de minister. Nou, daar is deze formulering precies voor bedoeld. Nou, niet helemaal, maar doet u dat nog even snel. Daarna wil ik schorsen tot 19.00 uur. Stel uw vraag aan de minister.
De heer Schalk (SGP):
Dan zal ik het op deze plaats doen, heel kort, voorzitter. Laat ik het zo formuleren: kan de minister het volgende bevestigen? Bij de internetconsultatie werd ooit een drempelwaarde van €15.000 genoemd, maar dat ging over wat er in een jaar samengevoegd zou zijn gedoneerd. Vervolgens is aan de Raad van State een wetsvoorstel voorgelegd waarin een bedrag van €4.500 stond, maar dat niet ging over de samengevoegde donaties van een heel jaar. Het is dus niet gebaseerd op de eerste internetconsultatie, maar op de €4.500 die er later was. Betekent dat dat het opknippen van gelden ook bij die €4.500 kon?
De voorzitter:
Deze vraag zal worden meegenomen in de dinerpauze van de medewerkers van de minister. Ik schors de vergadering tot 19.00 uur voor de dinerpauze.