Verslag van de vergadering van 24 maart 2026 (2025/2026 nr. 22)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 14.04 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
De heer De Vries i (SGP):
Dank, voorzitter. Vandaag behandelen we een implementatiewet die onze afhankelijkheid van fossiele brandstoffen moet verlagen. Een belangrijk punt van aandacht. Het wetsvoorstel is gericht op het bevorderen van duurzaamheid. Dat is een Bijbelse waarde waar onze fractie van harte achter staat. God roept bij de schepping de mens op om die te bebouwen, maar ook te bewaren. Als goed calvinist haal ik nu Calvijn aan. Ik citeer wat hij al in 1554 schreef bij de betreffende Bijbeltekst: "Die een akker bezit, moet dus de jaarlijkse vrucht trekken, en toezien dat hij de grond door zorgeloosheid niet laat uitgeput worden, maar hij moet er zich op toeleggen, om hem" — en nou komt het — "aan de nakomelingen over te leveren, zoals hij hem heeft ontvangen, of nog beter bebouwd." Laat dat laatste nu precies de Brundtland-definitie van duurzaamheid zijn. Calvijn had dat in 1554 al bedacht.
Terug naar het wetsvoorstel. Wat de SGP betreft hoeven wij onze milieudoelen niet door de EU te laten opleggen. Ons standpunt is dat we hier meer zelf een regierol moeten nemen. Op het punt van fossiele brandstoffen is in het coalitieakkoord alleen als ambitie opgenomen om in Europees verband de financiële prikkels weg te nemen. Doelpunt gemist, want wat de SGP betreft is dat een gemiste kans voor een grotere ambitie. Tegelijk zijn als uitgangspunten de leveringszekerheid en betaalbaarheid van een energiemix gekozen in het coalitieakkoord. Vanuit dat oogpunt is deze implementatiewet een van de vele stappen die genomen moeten worden om zo'n gezonde energiemix te realiseren en daarmee scoort het kabinet dan weer doelpunt.
De implementatiewet is dan ook een klein onderdeel. Vragen en onduidelijkheden zijn vrijwel helemaal opgehelderd in de aanloop naar dit debat. De implementatiewet blijkt overigens een lichtpunt voor de markt en die verzoekt om er zo spoedig mogelijk een punt aan te draaien en de wet in werking te laten treden. Daarom wil ik graag nog op een paar punten verheldering om zo de puntjes op de i te krijgen.
Voorzitter. Laat ik beginnen bij een punt dat recent onder onze aandacht werd gebracht: het uitgeven van emissiereductie-eenheden, ERE-certificaten, dat in de praktijk lijkt te leiden tot een financieel voordeel voor een groep mensen die toch al een voordeel had. Veel zakelijke rijders ontvangen een laadpaal van hun werkgever en krijgen daarbovenop nog een vergoeding voor het opladen van hun auto. Dit kost deze werknemers niets, maar deze groep kan wel aanspraak maken op de ERE-certificaten, waarmee ze zo'n €0,10 per kilowattuur kunnen verdienen. Dat kan oplopen tot een financieel voordeel van honderden euro's, terwijl de werkgevers de kosten maken. Het kan voor ondernemers een extra impuls zijn om nog meer te elektrificeren als zij een deel van de kosten terugkrijgen middels deze certificaten. Voor de hiervoor benoemde groep levert het tenslotte wel geld op, maar zij zullen niet extra investeren in elektrificatie. Daarmee is het middel niet effectief. Mijn vraag aan de staatssecretaris is: is het niet redelijker om deze certificaten uit te geven aan de betaler en niet aan de gebruiker?
Voorzitter. In antwoord op onze schriftelijke vragen hebben we een verduidelijking ontvangen van de visie van het kabinet op de energiemix. We wezen op de uitdagingen van netcongestie bij elektrificatie en op de grootte van de investeringen die nodig zijn om voor waterstof een infrastructuur te bouwen om er een levensvatbare energiebron van te maken. Onzes inziens moet ook worden gekeken naar biogas, biomassareststromen, getijdenenergie en kernenergie. Dat lijkt het kabinet te delen. In de beantwoording van onze vragen lijkt het erop dat er een concrete visie is op de verschillende transportsectoren. Zo lezen we dat biogas een valide energiebron is voor de scheepvaart, terwijl elektrificatie en waterstof meer voorzien worden voor het transport over de weg. Met deze wet worden aparte doelstellingen per sector gesteld om beter te concurreren, maar betekent dat ook dat concrete energiebronnen per sector worden toegewezen? Mijn vraag aan de staatssecretaris is: klopt het dat er per vervoerssector een eigen energiemix wordt toegewezen? Er zijn aanwijzingen dat bijvoorbeeld voor de luchtvaart energiebronnen als biogas en waterstof valide alternatieven zijn.
Maar als de regering per vervoerssector een specifieke energiemix heeft voorzien, dan roept dat ook weer vragen op. In hoeverre is de energiemix per vervoerssector afgestemd met de betreffende sector? Sluit de energiemix aan bij de inspanningen die in de laatste decennia al door de sector zijn geleverd of worden grote investeringen en ontwikkelingen wellicht tenietgedaan door energiebronnen uit te sluiten van een specifieke sector? Hoe worden de afspraken over de energiemix vastgelegd en gehandhaafd? Blijft daarbij als uitgangspunt gelden dat de sectoren zelf het beste weten welke energiebronnen voor hen het beste zijn? Zij hebben zelf het meeste inzicht in de vraag of zij die energiebronnen kunnen ontwikkelen en of ze daarvoor de benodigde infrastructuur kunnen opbouwen. Blijven zij vrij om hun eigen keuze te maken?
Voorzitter. We hebben al eerder vragen gesteld over het massabalanssysteem. Dat is ook al door de vorige spreker naar voren gebracht. In de Tweede Kamer is vorig jaar een motie van de VVD aangenomen over het, in navolging van het buitenland, verkennen van wat nodig is om bio-lng via de massabalanssystematiek toe te passen. Mijn vraag aan de staatssecretaris is: hoe staat het met de uitvoering van deze motie?
Wij vragen in het verlengde daarvan ook specifiek om hierover duidelijkheid te creëren in de Regeling energie vervoer ter implementatie RED-III, die in ontwikkeling is, en om daarbij ruimte te bieden voor de massabalans en eventueel voor de terminalroute. In de eerdere beantwoording van onze schriftelijke vragen is concreet gemaakt waarom deze ruimte onwenselijk is. Tegelijkertijd bleken er ook nuanceringen te zijn. Die ruimte is er namelijk wel expliciet in de EU-wetgeving. Zo wordt in artikel 18, lid 3 van de Uitvoeringsverordening (EU) 2022/996, die vanaf 2027 zal gelden, specifiek ruimte geboden voor gekoppelde infrastructuur. Dat beschrijft in feite de terminalroute.
Daarnaast blijkt uit een rapport van adviesbureau CE Delft — het betreft niet de TU Delft, maar een adviesbureau — dat bio-lng, liquid natural gas, via de massabalans juist een nuttige transitierol kan vervullen in sectoren waar snelle elektrificatie niet vanzelfsprekend is. Daarnaast is het beeld dat de import van bio-lng de Nederlandse productie zou verdringen te absoluut, want de Nederlandse producenten behouden juist hun sterke uitgangspositie en kunnen desgewenst eveneens binnen een massabalanssysteem leveren. Verder heeft de Europese Commissie uitgesproken dat lng en biomethaan tot dezelfde productiegroep kunnen behoren, binnen één massabalanssysteem. Kortom, er valt dus wel een en ander te nuanceren in de positie van het kabinet op dit punt. Mijn vraag aan de staatssecretaris is: is zij bereid om de kabinetspositie omtrent de massabalans en de terminalroute, in lijn met de motie-Van Groningen, nogmaals af te wegen en om bij de aanstaande regeling gemotiveerd aan te geven waarom daarvoor wel of niet ruimte wordt geboden?
Voorzitter. Onze fractie kijkt uit naar de beantwoording door de staatssecretaris.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie nog een interruptie, van mevrouw Van Langen.
Mevrouw Van Langen-Visbeek i (BBB):
Ik heb nog een vraag aan meneer De Vries. U zegt dat de zakelijke rijders worden bevoordeeld. Als ze benzine tanken, kunnen ze met die certificaten immers geld terugkrijgen, terwijl de werkgever misschien de auto betaalt. Bent u ervoor dat dit voordeel wordt uitgebreid naar de overige elektrische rijders of wilt u dat het wordt afgeschaft? Wat is uw standpunt daarin?
De heer De Vries (SGP):
Ons idee zou zijn om die certificaten uit te geven aan wie werkelijk betaalt en dus niet per se aan de gebruiker.
Mevrouw Van Langen-Visbeek (BBB):
Mijn vraag is dus: wat vindt u ervan? Wilt u het zo houden? Of zegt u dat de zakelijke rijders worden bevoordeeld ten opzichte van de privérijders? Wat is uw standpunt?
De heer De Vries (SGP):
Nee, dat laatste niet. Dat hoeft niet, nee.
Mevrouw Van Langen-Visbeek (BBB):
Oké, dank u.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik geef graag het woord aan de heer Van Kesteren van de fractie van de PVV.