Plenair Visseren-Hamakers bij behandeling Implementatie onderdelen richtlijn hernieuwbare energie (RED III) die betrekking hebben op de vervoerssector



Verslag van de vergadering van 24 maart 2026 (2025/2026 nr. 22)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 14.19 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Visseren-Hamakers i (Fractie-Visseren-Hamakers):

Dank, voorzitter. Welkom aan de staatssecretaris in de Eerste Kamer. Mijn fractie, die de Partij voor de Dieren vertegenwoordigt in de Eerste Kamer, is voor een ambitieus klimaatbeleid en voor een klimaatbeleid dat andere maatschappelijke doelen op het gebied van natuurbescherming, water, duurzame landbouw en dierenwelzijn ondersteunt en niet tegenwerkt. Dat vergt keuzes en effectief beleid, en daar knelt het met deze Richtlijn hernieuwbare energie. De richtlijn vermijdt de noodzakelijke maatregelen en heeft negatieve gevolgen voor andere beleidsterreinen.

Klimaatbeleid in de vervoersector kan maar op één manier effectief zijn: door niet alleen in te zetten op verduurzaming, maar ook op minder vervoersbewegingen. We transporteren namelijk enorme hoeveelheden overbodige, niet-duurzame producten. Hoeveel plastic speeltjes heeft een kind nodig? Hoeveel bosjes bloemen die zijn geproduceerd met landbouwgif hebben we nodig? Met andere woorden, hoe gaat het kabinet ervoor zorgen dat niet alleen onze vervoersector, maar onze economie als geheel verduurzaamt? Graag een reactie van de staatssecretaris. Een andere maatregel om de vervoersector effectief te verduurzamen is natuurlijk het investeren in openbaar vervoer. Wat zijn de plannen van het kabinet om het ov weer aantrekkelijk en betaalbaar te maken?

Voorzitter. Voor de Partij voor de Dieren staat één onderwerp centraal in dit wetsvoorstel, namelijk het gebruik van dierlijke vetten en mest als zogenaamde hernieuwbare energie. Ik heb het daar in deze Kamer al eerder over gehad, maar nog niet met het nieuwe kabinet, dus ik kijk uit naar de visie van de staatssecretaris hierop. Kan de staatssecretaris uitleggen hoe dierlijk vet en dierlijke mest als hernieuwbaar kunnen worden gezien? Als een dier bevalt, is het kind een ander dier; de moeder wordt niet hernieuwd. Dieren zijn dus geen hernieuwbare energie zoals wind of zon. Biologisch gezien klopt de definitie dus helemaal niet. Dierlijke producten kunnen alleen als hernieuwbaar worden gezien als de dieren die deze producten produceren of, in het geval van dierlijk vet, de dieren die deze producten zijn als bulkproducten worden gezien en niet als individuen.

Een argument dat vaak wordt gebruikt, is dat we zo veel mogelijk lichaamsdelen van een geslacht dier moeten gebruiken, niet alleen vanuit efficiëntieoverwegingen, maar ook vanuit respect voor het dier. Maar om deze producten als "duurzaam" te bestempelen, gaat echt een stap verder. Hiermee wordt de bio-industrie met al haar dierenleed en duurzaamheidsproblemen in stand gehouden en, bij gebrek aan een goed Nederlands woord daarvoor, gegreenwasht. Verplicht de richtlijn Nederland om dierlijke producten te gebruiken of kan een lidstaat zelf bepalen op welke hernieuwbare energie hij inzet? Als de ruimte wordt geboden, zou de staatssecretaris dan willen overwegen om geen dierlijke producten te gebruiken? Als deze ruimte niet wordt geboden, is de staatssecretaris dan bereid om in Europees verband de discussie aan te gaan over nut en noodzaak van het gebruik van dierlijke producten, zoals zogenaamde hernieuwbare energie?

Dan nog een paar meer praktische vragen, voorzitter. Uit het schriftelijk overleg blijkt dat biobrandstof die in Nederland wordt gebruikt, voornamelijk is geproduceerd met suiker en zetmeelhoudende gewassen van buiten Nederland. In welke mate wordt er ook gehandeld in dierlijke producten en mest die worden gebruikt als zogenaamde hernieuwbare energie? Welk percentage van de dierlijke producten en mest komt uit andere Europese landen of van buiten de EU? Graag een reactie van de staatssecretaris. In de memorie van toelichting wordt gesteld dat er voor categorie 3 dierlijke vetten minder gebruiksbeperkingen gelden dan voor categorie 1 en categorie 2 dierlijke vetten, omdat die in de richtlijn anders worden ingedeeld. De memorie van toelichting stelt ook dat de Wet milieubeheer de mogelijkheid biedt om dit ongewenste rechtsgevoel ongedaan te maken en dat in de Regeling energie vervoer de hoogte van deze correctiefactor wordt vastgesteld. Waarom zijn deze verschillende categorieën dierlijke vetten anders ingedeeld? Wat zijn de consequenties? Wat is de stand van zaken van de Regeling energie vervoer, vraag ik aan de staatssecretaris.

Voorzitter. Het wetsvoorstel gaat uit van ketensturing. Hoe ver in de keten wordt teruggegaan, is mijn vraag. Welke uitstoot van broeikasgassen wordt meegenomen? De uitstoot van methaan in de veehouderij? De uitstoot tijdens de productie en het transport van veevoer? De uitstoot tijdens de productie en het vervoer van kunstmest en pesticiden die worden gebruikt voor de productie van veevoer, het transport van de dieren naar het slachthuis et cetera, et cetera? Wat wordt meegenomen in de berekening van de zogenaamde milieuwinst van het gebruik van dierlijk vet en dierlijke mest? Wat is de daadwerkelijke milieuwinst als de uitstoot in de hele keten wordt meegerekend? Graag een reactie van de staatssecretaris.

Voorzitter. Er zijn sterke aanwijzingen dat bedrijven op grote schaal frauderen met grondstoffen voor biobrandstof. Mevrouw Van Langen had het hier ook al over. De Raad van State constateert bovendien dat de kans op fraude groter wordt door de voorgestelde systematiek van ketensturing. Is het systeem van toezicht voldoende robuust, vraag ik de staatssecretaris. Is de Uniedatabank inmiddels volledig operationeel? Met andere woorden, hoe gaat de staatssecretaris fraude voorkomen? Kan zij toezeggen dat zij nog dit jaar zal onderzoeken hoe de inspectie in de biobrandstoffenketen kan worden verbeterd? Ik overweeg een motie op dit punt, maar mijn voorkeur gaat uit naar een toezegging.

Voorzitter, tot slot. Ik ben benieuwd hoe het staat met de uitvoering van mijn motie 36576, letter Q over consumenteninformatie over de herkomst van warmte. Ik vraag de staatssecretaris of zij kan toezeggen om, in het verlengde van deze aangenomen motie, nog dit jaar te onderzoeken hoe zakelijke en particuliere consumenten in de vervoerssector ook kunnen worden geïnformeerd over de grondstoffen van de hernieuwbare energie die ze kopen, en dan niet alleen voor de dierlijke producten, maar voor de biobrandstof in het algemeen. Ook op dit punt overweeg ik een motie, maar vraag ik een toezegging van de staatssecretaris. Daarnaast heeft de minister van KGG in het debat over de Wet collectieve warmte eind vorig jaar toegezegd om meer informatie te geven over dierlijke producten in het energiesysteem voor warmte en heeft zij ook toegezegd dat zij in kaart wil brengen wat er nodig is voor een overzicht van het gebruik van dierlijke producten in het energiesysteem meer in het algemeen. Hoe staat het met de uitvoering van deze toezeggingen? Dat zou ik graag horen van de staatssecretaris.

Voorzitter. Ik kijk uit naar de reactie van de staatssecretaris en voorts ben ik van mening dat er een einde moet komen aan de bio-industrie.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Kemperman van Forum voor Democratie. Hij spreekt mede namens de Fractie-Beukering.