Verslag van de vergadering van 7 april 2026 (2025/2026 nr. 24)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 16.05 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
De heer Van de Sanden i (Fractie-Van de Sanden):
Dank, voorzitter. Allereerst heet ik, inderdaad mede namens de Fractie-Van Gasteren, de minister-president, de beide vicepremiers en de minister van Financiën van harte welkom in deze Kamer, met de bijbehorende felicitaties. Minister-president Jetten, u opende de regeringsverklaring met een verwijzing naar Jan Terlouw, een man die mildheid en scherpte verenigde. Ook onze fracties willen u dat graag gaan bieden. De regeringsverklaring bevat ambities die we van harte ondersteunen. Op die koers willen we constructief meewerken.
Constructief meewerken betekent ook scherp zijn op de voorwaarden. De meest fundamentele daarvan is dat al die keuzes de rechtsstaat intact moeten laten, niet als bureaucratisch obstakel, niet als luxe die we ons bij geopolitieke dreiging niet kunnen veroorloven, maar als doel zelf, als de reden waarom wij ons verdedigen. Als liberalen weten wij: vrijheid is alleen duurzaam waar de rechtsstaat haar beschermt. Niet de Staat als doel, maar de rechtsstaat als voorwaarde voor vrijheid. De rechtsstaat is een tweezijdig schild. Aan de ene kant beschermt hij ons tegen bedreigingen van buitenaf en vereist hij dat wij hem actief verdedigen, met urgentie, met lef en met de bereidheid om regelgeving aan te passen waar die verdediging in de weg staat. Aan de andere kant beschermt hij ons tegen onszelf, tegen een overheid die onder de noemer van slagvaardigheid en deregulering de kwaliteit van wetgeving onder druk zet, fundamentele grondrechten kan raken of parlementaire controle kan verzwakken. Voor liberalen is de rechtsstaat niet instrumenteel, maar constitutief. Zonder hem is er geen vrijheid, geen eigendom, geen innovatie. De keuze is daarom niet tussen snelheid en rechtsstaat, maar tussen doordacht, slagvaardig handelen en ondoordachte slagvaardigheid. De regeringsverklaring weet wat er moet worden beschermd. Ze laat alleen onbeantwoord hoe. Dat is de stilte die ik vandaag wil proberen te doorbreken, aan de hand van twee concrete dossiers. De rechtsstaat is namelijk geen handrem, maar het stuur. Dat laten we zien aan de hand van twee voorbeelden: defensie en digitalisering.
Voorzitter. Vorige week woensdag was een bijzondere dag. Die begon op de Generaal-majoor De Ruyter van Steveninckkazerne in Oirschot, met de formele oprichting van de eerste drone- en antidrone-eenheden van de Nederlandse landmacht, een historische mijlpaal. De rest van de dag stond in het teken van drone- en counterdrone-innovatie, samen met industrie en wetenschap. Ik was erbij. Indrukwekkend. De daar aanwezige Commandant der Strijdkrachten formuleerde het kernachtig: degene met de snelste innovatiecyclus heeft de overhand.
Geld is kennelijk, na jaren van bezuinigen, geen probleem meer. Met een defensienorm van 5% van het bbp lijkt de financiële discussie voorbij. Dat betekent dat we vandaag het werkelijke probleem kunnen benoemen: niet zozeer het gebrek aan middelen, maar het gebrek aan de regelgevingsruimte om die middelen zo effectief mogelijk in te zetten. Want wat heeft het voor zin om drone-eenheden op te richten als langdurige vergunningstrajecten en milieuregelgeving de oefeninfrastructuuruitbreiding en/of de innovatie belemmeren? Dit gaat niet alleen over drones. Het raakt ook aan loopgraven aanleggen op eigen terrein, nachtelijke schietoefeningen, uitbreiding van kazernes en aanleg van oefeninfrastructuur. Defensie kan door bestaande regelgeving niet optimaal haar taak uitvoeren om tijdig gereed te zijn. Meer geld alleen lost dit niet op. Wetgevingsruimte kan en dient daarbij te helpen. Dat is de bijdrage die wij hier in Den Haag kunnen leveren. Dat was die dag ook het veelgehoorde antwoord op mijn vraag: wat heeft u van ons nodig? En ja, er is wetgeving in voorbereiding: de Wet op de defensiegereedheid. Ik steun de urgentie daarachter volledig, maar de Wodg is het brandblusapparaat. Hij biedt tijdelijke vrijstellingen via een brede vangnetbevoegdheid, waarbij de minister bij koninklijk besluit wetgeving buiten werking kan stellen, zonder voorafgaande parlementaire betrokkenheid.
De Raad van State oordeelde zeer recent dat dit te breed is, de gevolgen moeilijk voorzienbaar zijn en parlementaire controle ontbreekt. Dat kunnen wij niet aanvaarden. Wetgeving buiten werking stellen zonder voorafgaand parlementair toezicht is, hoe goed de bedoelingen ook zijn, een rechtsstatelijk gevaar. De Raad van State zegt het expliciet: de Wodg is een tussenstap; de structurele inbedding ontbreekt nog. Dat terwijl er al wel ruimte is die wij nu nog onvoldoende benutten, bijvoorbeeld artikel 346 VWEU, de ADC-toets in de Omgevingswet en de EU Defence Readiness Omnibus. Duitsland en Frankrijk hebben bewezen dat militaire slagkracht en rechtsstatelijke zorgvuldigheid samen kunnen gaan via wettelijke uitzonderingsclausules en een meerjarige parlementaire programmawet. Dat is het rechtsstatelijke model: snel waar het moet maar zorgvuldig waar het hoort. De rechtsstaat biedt hier de oplossing, mits we zijn instrument ook daadwerkelijk inzetten. Mijn vraag aan de minister-president is of hij kan toezeggen dat het kabinet uiterlijk voor de Defensiebegroting 2027 de belangrijkste regelgevingsknelpunten voor de krijgsmacht in kaart kan brengen en daarbij kan aangeven welke structurele wetgevingsstappen het kabinet, in lijn met de aanbevelingen van de Raad van State en de EU Defence Readiness Omnibus, noodzakelijk acht. Afhankelijk van het antwoord van de regering overweeg ik op dit punt in de tweede termijn een motie in te dienen.
Voorzitter. Hetzelfde patroon tekent zich af op het digitaliseringsdossier. De minister-president stelde dat wij ons moeten opmaken voor een nieuwe economie, alleen al vanwege de snelle opmars van AI. Dat is een juiste constatering, maar de verklaring zwijgt over hoe we dat moeten doen. Ik was begin vorige week bij de Europese Commissie in Brussel. Wat ik daar zag, was verontrustend. Dat kwam niet omdat de drive om regeldruk te verminderen ontbreekt, maar juist omdat die er volop is. Op zichzelf is dat terecht, maar in de haast om snel te handelen, worden verplichte regelgevingsprocedures niet toegepast: impactanalyses die er hadden moeten zijn, zijn er niet en consultaties die hadden moeten plaatsvinden, zijn overgeslagen. Dat is geen Europese kracht maar een Europese kwetsbaarheid. Het is precies de situatie waartegen de rechtsstaat ons moet beschermen. Deze moet niet beschermen tegen de onderliggende ambitie, maar tegen de neiging om in naam van die ambitie de eigen waarborgen te veronachtzamen.
Voor ons liberalen is de eis helder: wie de bestaande bescherming wil afbouwen, draagt de bewijslast. Niet de handhaver moet bewijzen dat de regel nog nodig is, maar de dereguleerder moet bewijzen dat afschaffing verantwoord is, zeker in een tijd van toenemende hybride dreigingen en statelijke cyberaanvallen. De rechtsstaat vereist hier geen vertraging maar onderbouwing. Dat is het liberale onderscheid. Mijn vraag aan de minister-president is daarom principieel: onderschrijft het kabinet deze bewijslastverdeling als Nederlandse inzet in Brussel op alle digitaliseringsdossiers waarin deregulering aan de orde is?
Voorzitter, ik rond af. De liberale traditie heeft de rechtsstaat niet uitgevonden als rem op de overheid. Ze heeft hem uitgevonden als bescherming van de burger tegen de overheid, ook, en juist, als die overheid goede bedoelingen heeft. De minister-president sloot zijn regeringsverklaring met de woorden: "Ik heb een prachtig leven gehad. Ik wil dat jullie dat ook hebben". Wij willen dat ook, maar een prachtig, duurzaam en vrij leven voor iedereen is alleen mogelijk wanneer de rechtsstaat zijn werk kan blijven doen, niet alleen als dat makkelijk is maar juist ook als dat moeilijk is.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan mevrouw Visseren-Hamakers van de Fractie-Visseren-Hamakers.